Categoriearchief: wijn

Edelrot

Edelrot (edele rotting, pourriture noble), dat is een infectie van de schimmelzwam Botrytis cinerea, ook grijze schimmel (pourriture grise) genoemd, op de rijpe bessen van de druivenstok. In de meeste gevallen, in haar gedaante van pourriture grise, een gevreesde vijand die een hele oogst kan vernielen; in enkele gevallen een welkome gast die onontbeerlijk is voor het maken van edelzoete wijnen zoals die uit de Sauternes en Monbazillac; de Sélection de grains nobles uit de Elzas; de Trockenbeerenauslese van de Neusiedlersee, de Roemeense Grasă de Cotnari en de fameuze Tokaji wijnen uit Hongarije en Slowakije.

Edelrot ontstaat bij warm herfstweer op rijpe druiven met een suikergehalte vanaf 12½ºKMW*, voornamelijk op witte druivenrassen zoals Sémillon, Muscadelle, Sauvignon, Chenin, Riesling, Gewürztraminer en Furmint. Er zijn slechts weinig wijnbouwgebieden met een microklimaat dat gunstig is voor edele rotting. Het noodzakelijke vocht dat nodig is voor het groeien van de schimmels moet komen van de ochtendnevel, terwijl de dagen nog warm en droog genoeg moeten zijn voor het verdampen van het sap van de bessen. De nabijheid van een rivier kan het proces bevorderen, zoals de Bodrog in het Tokaji gebied of de Ciron in de Franse Sauternes. De schimmelzwam Botrytis cinerea kan al aanwezig zijn vanaf de bloei van de wijnstok, op de trossen. De ontwikkeling van de schimmel moet dan tot augustus in toom worden gehouden om de vorming van de druif niet voortijdig in gevaar te brengen.

Het proces gaat zo: de schimmel dringt met zijn enzymen de druiven binnen door het afbreken van de celwanden. De schimmel voedt zich met het water in de bessen, terwijl de micro-perforaties van de schil het verdampen van het sap mogelijk maken. Daardoor neemt de concentratie van suikers in het sap toe, terwijl de interactie tussen de schimmel en de wijnstok ook de samenstelling van de druif verandert. De schimmel metaboliseert suiker, zuren en stikstof. Relatief gebruikt ze aanzienlijk meer zuur dan suiker en geeft daarmee stofwisselingsproducten zoals glycerol af aan de bes. De wijnstok verdedigt zich tegen de aanval door tanines aan te maken. Deze processen veranderen de kleur en het aroma van het sap, wat leidt tot het typische gouden kleur van de wijn en het honingachtige “edelrotboeket”.

De aangetaste druiven worden met de hand geoogst, meestal in meerdere keren. Overbodig te vermelden dat het proces zeer arbeidsintensief is, en, door het grote verlies van volume door verdamping van het sap, slechts een kleine opbrengst oplevert. Dat drijft de prijs van deze zoete wijnen omhoog.

Edelrot

Edele rotting op Semillon-druiven. De door de schimmel broze, paars gekleurde schil van de witte druiven is bedekt met de conidioforen van de schimmel.

*Klosterneuburger Mostwaage is de Oostenrijkse schaal om het suikergehalte van de most te bepalen. De schaal is ook in gebruik in Hongarije en de landen van het voormalige Joegoslavië, en in Italië, waar ze bekend staat als de Grado Babo, naar de uitvinder, Freiherr August von Babo (1827 – 1894), de directeur van het oenologisch instituut Klosterneuburg.

BLAUER PORTUGIESER

Blauer Portugieser, Modrý Portugal, Modra portugalka, Kékoportó, Oporto, Portugizac

Blauer Portugieser is een oude rode wijndruif uit de Untersteiermark in het huidige Slovenië (Slovenska Štajerska), die in Midden- en Zuidoost-Europa sterk verspreid is, alhoewel dat de laatste jaren wel wat terug begint te lopen. Zo zakte in Oostenrijk het oppervlak waarop de druif verbouwd wordt van 2358 ha. in 1999 naar 1266 ha. in 2015.

Volgens het nieuwste gentechnisch onderzoek is de druif een kruising van Blaue Zimmettraube met Grüner Silvaner. De Grauer Portugieser, Roter Portugieser en Grüner Portugieser, voorkomend in Oostenrijkse wijngaarden, zijn mutaties van de Blauer Portugieser.

Blauer Portugieser
Portugieser blau

(foto: Ursula Brühl, Julius Kühn-Institut (JKI) Bundesforschungsinstitut für Kulturpflanzen Institut für Rebenzüchtung Geilweilerhof – 76833 Siebeldingen – GERMANY)

HERKOMST

Volgens de Neder-Oostenrijkse streekhistoricus Franz Langwieser dook de naam voor het eerst op in 1828, wanneer een professor von Jaquin schrijft: “Behalve de Bourgndische wijnstokken zijn er in de wijngaarden van Baden nog twee andere variëteiten: namelijk de zoetere, zogenaamde Portugieser, die ook voor de druivenverkoop dienen, en de zogenaamde Blauen Fränker.”

Franz Langwieser schrijft in het Heimatbuch von Schwadorf 1953 in het hoofdstuk “Der Wein”:

“Een Graaf von Fries was Oostenrijks gezant in verschillende staten, waaronder ook Portugal. Hij had op zijn landgoed in Vöslau wijngaarden. Rond 1770 of 1780 bracht hij soorten uit het buitenland naar Vöslau en liet ze in zijn wijngaarden aanplanten.”

De soort, die Portugieser werd genoemd, verspreidde zich snel in de wijngemeenten Vöslau, Baden, Sooß en Gainfarn. Verder in het Heimatbuch:

“Prof. Dr. Johann Burger in zijn beschrijving van de in Oostenrijkse wijnplaatsen voorkomende druivensoorten in het jaar 1837 : Portugieser is in Oostenrijk weinig bekend en wel enkel in de wijngaarden van Baden, Soos, Vöslau en Gainfarn, voornamelijk in de drie laatste plaatsen wordt de wijnstok op grote schaal gecultiveerd. Ze wordt hier Portugieser genoemd. Waarvan de naam komt, kon ik niet ontdekken, slechts zoveel hoorde ik, dat de baron, daarna graaf, Fries ze uit het buitenland liet komen en in zijn wijngaarden in Vöslau liet aanplanten. Johann Baumgartner, wijnboer en wijnstokkweker in Gumpoldskirchen schrijft in 1856 dat graaf Fries de Portugieser uit Oporto ingevoerd had en dat hij jaarlijks meer dan 300.000 Portugieserstokken aan het westelijke Duitsland en aan Stiermarken heeft geleverd.”

De Staats fruitteeltinspecteur Josef Löschnig stelde vast dat Graaf Fries op zijn landgoed in Vöslau de Blauer Portugieser op grotere schaal rond 1770 tot 1780 had aangeplant, dat ze van een zuidelijk, onbekend druivenras afstamt en vanuit Vöslau zich verspreidde over Nederoostenrijk, Stiermarken en verder naar Deutschland als geliefde rode wijnsoort, die een milde, niet zeer donker gekleurde rode wijn oplevert. In het “Handbuch des Weinbaues und der Kellerwirtschaft” (1881 – 1885) van Edmund Mach en August Wilhelm Freiherr von Babo, wordt als de herkomst van de soort Portugal genoemd. Verspreider is de gezant Graaf Fries, en ook volgens Franz Xaver Trummer’s “Nachtrag zur systematischen Classification und Beschreibung der im Herzogthum Steiermark vorkommenden Rebsorten” uit 1855 komt Portugieser blau uit het noorden van Portugal.

Blauer Portugieser
Johann Graf von Fries (1719 – 1785), door Alexander Roslin.

Dat de Blaue Portugieser in 1770 – 1780 naar Oostenrijk kwam is daarmee dus wel naar genoegen bevestigd. Dat de soort tot vóór 100 jaar in Portugal zelf volkomen onbekend was, zoals links en rechts gefluisterd wordt, is waarschijnlijk onzin.

EIGENSCHAPPEN

Blaue Portugieser gedijt op vrijwel elke bodem goed, ook op zware, vochtige en koele grond, op schrale bodem en op zandgrond. De opbrengst is zeer groot en regelmatig. Zonder regulatie kan die op 120 – 200 hectoliter per ha. liggen. Portugieser is gevoelig voor voorjaarsvorst vanwege de vroege knopbreuk en de wind. De druif is vatbaar voor valse meeldauw, echte meeldauw en grijze rot. De soort levert zuurarme, milde rode wijn met relatief weinig tannines, die al jong goed te drinken is en wordt vaak gebruikt als eenvoudige maar aangename tafelwijn. De druif wordt ook gebruikt om de kleur van bleke wijnen te verbeteren.


BLAUFRAENKISCH

Blaufränkisch, Lemberger, Frankovka módra, Kékfrankos

Volgens het verhaal komt de naam, Blaufränkisch, uit de Napoleontische tijd. Twee maal logeerde de Franse keizer in paleis Schönbrunn zonder daartoe een invitatie van de eigenaar te hebben ontvangen. In 1805, na de Slag bij Austerlitz waar hij de verenigde legers van Rusland en Oostenrijk verpletterend had verslagen duurde zijn verblijf maar een paar dagen. Op 12 december legde hij zijn voeten op de salontafel; op 27 december, na de ondertekening van een vredesverdrag in Preßburg (het huidige Bratislava) trok hij met zijn leger weer huiswaarts, tot opluchting van het Weense publiek. Nog geen vier jaar later, op 10 mei 1809, keerde Napoleon in het paleis terug. Ditmaal duurde de logeerpartij een stuk langer. Op 13 mei werd Wenen zelf met grof geweld ingenomen. Twee maanden later (6 juli) versloeg hij het Oostenrijkse leger in de Slag bij Wagram en nog eens drie maanden later, 14 oktober, werd de vrede gesloten. Al die tijd waren de Franse troepen ingekwartierd in de wijde omgeving, waar ze bij de plaatselijke wijnboeren hun onontbeerlijke dagelijkse portie wijn kochten. Daarbij viel één bepaalde soort rode wijn bijzonder in de smaak. Nu was het zo dat de soldij werd uitbetaald in “rode” francs, terwijl het officiële Franse bankpapier blauw was. De boeren, laat ze maar schuiven, hadden al snel door dat het rode geld niet veel waard was, en ze lieten zich dan ook geen oor aannaaien met waardeloos papier. De gewilde wijn werd alleen verkocht voor de “echte”, blauwe, bankbiljetten: de blauwe francs, en verder geen flauwe kul en vandaar dus de naam Blaufränkisch. Aldus het verhaal.

Het is een aardig verhaal hoor, daar niet van. Maar omdat we altijd het naadje van de kous willen weten zijn we ons licht eens gaan opsteken bij de Banque de France en wat blijkt? Blauw bankpapier werd inderdaad uitgegeven, maar niet eerder dan in 1862. In de dagen van Napoleon I werden alleen biljetten gedrukt in zwarte inkt, uitgegeven ten behoeve van de handel en de industrie. Het ging om grote bedragen van 500 en 1000 francs, “payable à vue, au porteur et en espèces”, wat betekent dat het papier direct bij de bank kon worden ingewisseld voor klinkende munt, in goud of zilver. Een biljet van 500 francs kwam overeen met een zak zilveren munten van 2½ kg. Of Jean soldaat zo goed werd betaald ?…

Blaufränkisch


Een biljet van 500 francs, uitgegeven in 1806, het jaar na de slag bij Austerlitz.

Wat we wèl zeker weten is dat de naam Blaufränkisch in 1875 wereldwijd is vastgelegd door de Internationale Ampelografische Commissie, opgericht twee jaren eerder in Wenen. De druivensoort is in Oostenrijk ook in het Register der Traditionellen Lebensmittel opgenomen. En traditioneel is de druif beslist; de soort is al zeker sinds 1750 bekend. Blaufränkisch is een natuurlijke kruising tussen Blauer Zimmettraube × Weißem Heunisch. Onderzoekers gaan ervan uit dat de soort waarschijnlijk uit Untersteiermark stamt. Blaufränkisch is een van de belangrijkste blauwe druivenrassen in Oostenrijk, en ook in buurlanden Hongarije (onder de naam Kékfrankos), Tsjechië en Slowakije (Frankovka modra) speelt de druif een belangrijke rol in de wijnbouw. In Duitsland is de druif bekend als Lemberger of Limberger, en wordt er sinds het midden van de 19de eeuw verbouwd. Die naam verwijst ook naar de Untersteiermark: naar het plaatsje Lemberg bei St. Marein (het huidige Lemberg pri Šmarju in Slovenië), vanwaar in 1877 druivenstokken van de Blaufränkisch als “Lembergerreben” naar Duitsland werden geëxporteerd.

Blaufränkisch

(Foto: Doris Schneider, Julius Kühn-Institut (JKI) Bundesforschungsinstitut für Kulturpflanzen Institut für Rebenzüchtung Geilweilerhof – 76833 Siebeldingen – GERMANY)

Blaufränkisch houdt van een mild klimaat en een plek die beschut is tegen de wind. De opbrengst is gemiddeld tot hoog. De druif verdraagt kalkrijke bodems en is goed bestand tegen winterse vorst. Als vroeg uitbottende druivensoort is hij wel gevoelig voor late vorst, en de bloei is kwetsbaar. Ook is de soort gevoelig voor echte en valse meeldauw en voor grauwe schimmel. Blaufränkisch levert eenvoudige, lichte en fruitige wijnen, maar kan zeker ook krachtige, karaktervolle, tanninerijke wijnen opleveren met een intensieve rode kleur en aroma’s van kersen en bessen. De wijn ontwikkelt zich langzaam, kan lang rijpen en bereikt als oude wijn een hoge kwaliteit. Blaufränkisch wordt ook vaak gebruikt voor het versnijden met andere rassen zoals Zweigelt, Cabernet Sauvignon, Merlot, Trollinger of Pinot noir, die ze met haar fruitigheid complexer maakt. In Oostenrijk wordt 94% van Blaufränkisch verbouwd in Burgenland, waar de variëteit enkele van de beste rode wijnen produceert, vooral in het Mittelburgenland, dat daarom ook wel Blaufränkischland wordt genoemd. Een Blaufränkisch past uitstekend bij wild, sterk gekruide groente- en deeggerechten en pikante soorten kaas.

PINOT NOIR

Spätburgunder, Blauburgunder, Schwarzburgunder, Rulandské modré, Pinot modrý, Modri burgundec, Pinot crni

Pinot noir is een zeer oude soort, mogelijk al meer dan 2000 jaar oud. Als stamland van de Pinot soorten wordt het noordoosten van Frankrijk vermoedt. De wetenschappers zijn het er niet over eens waarvan de Pinot noir afstamt. De een spreekt van een natuurlijke kruising van Schwarzriesling en Traminer; de ander zegt weer dat Pinot Noir in directe lijn afstamt van de wilde wijnstok, Vitis sylvestris. Volgens een omvangrijke gen-analyse in de jaren 1990 zou dat zeer wel mogelijk kunnen zijn. Het is in ieder geval een feit dat tot de Phylloxera catastrofe van het einde van de 19de eeuw volop wilde druiven groeiden in Noord-Frankrijk. De analyses tonen een grondige verscheidenheid met de in het zuiden van Frankrijk voorkomende soorten, die vermoedelijk door de Grieken in het land gebracht werden. Uit die hoek waait de wind dus niet. Waarschijnlijk bestond de druif al vóórdat de Romeinen Gallië bezetten. In de eerste eeuw A.D. beschrijft Lucius Junius Moderatus Columella in zijn De re rustica een druivensoort die verdacht veel op de Pinot noir lijkt. Het team van Jean-Marie Boursiquot van INRA (Institut national de la recherche agronomique) in Montpellier heeft aangetoond dat Pinot Noir de basis is van 2 families druivenrassen: de Noiriens en de Serines. In de eerste familie vinden we druivensoorten zoals Chardonnay, Gamay en Romorantin; in de tweede onder meer Syrah, Roussanne, Marsanne en Mondeuse, karakteristiek voor het Rhônedal. De studies bevestigen niet het bestaan van de Pinot voor of sinds de Romeinse tijd, maar tonen wel aan dat hij de stamvader is van een groot aantal druivensoorten in de regio.

Daarop voort speculerend zou het zomaar eens kunnen zijn dat de Pinot noir verwant is aan de Vitis allobrogica, een oude wijnstok uit het land van de Allobroges, ruwweg tussen het Meer van Genève, de Alpen en de Rhône. Tijdens de Romeinse kolonisatie werd deze wijnstok veelvuldig aangeplant op de hellingen langs de oevers van de Rhône. Zijn wijn, bekend onder de naam vinum picatum, maakte de stad Vienne beroemd, de haven van inscheping van amforen vol van deze wijn, voor de export over heel Europa. Dat “vinum picatum”(Fr: vin poissé) betekent dat de amforen ter conservatie van de wijn waren afgesloten met een hars die gewonnen werd uit pijnbomen. Plinius de Oudere vermeld picatum in zijn Naturalis Historia als een wijn van hoge kwaliteit, afkomstig uit Vienne.

MIDDELEEUWEN

In de middeleeuwen hebben we wat betreft de Pinot noir vastere grond onder de voeten, niet in de laatste plaats dankzij de Benedictijner monniken van Cluny en hun nòg straffere collega’s de Cisterciënzers van het Bourgondische Cîteaux, in de streek die beroemd zou worden als de Nuits-Saint-Georges . De orde speelde een sleutelrol in de hervormingen van kerk en politiek rond het eerste millennium, waardoor Europa zich kon ontworstelen aan een “IJzeren eeuw” vol geweld, moreel verval en jammerlijke misère. In de loop der tijd bouwden de monniken een heel netwerk van abdijen, priorijen en uithoven (boerderijen) op, in Frankrijk en ver daarbuiten: de Nederlanden, Spanje, Polen, Bohemen en Oostenrijk. Daar werd niet alleen gebeden, maar ook gewerkt, want het motto van de Benedictijnen was en is “Ora et Labora”. Wat voor ons verhaal van belang is, dat is natuurlijk het aanplanten van wijngaarden en het ontwikkelen van de kennis van de kunst van het wijnmaken, waaraan de brave monniken veel hebben bijgedragen. De middeleeuwer dronk namelijk liever geen water, want de kans was groot dat je er ziek van werd.

Ook de Paus speelde een rol in de ontwikkeling van de rode wijnen van Bourgogne. Tijdens het pontificaat van Clemens VI (1342 – 1352), de meest prachtlievende van de pausen van Avignon, deelden de Cisterciënzers hun wijngaard van Clos-Vougeot in in drie “climats” om de beste “cuvée du pape” te kunnen selecteren. Toen in 1364 een volgende paus, Urbanus V, terug wilde keren naar Rome vond hij bij zijn kardinalen niet erg veel enthousiasme. Zelfs Petrarca bevestigt het hardnekkige gerucht dat de heren liever in Avignon wilden blijven vanwege de wijnen van Beaune, die ze in Rome zouden moeten ontberen. Urbanus dreigde de abt van Cîteaux, Jean de Bussières, met excommunicatie als hij het hof in Avignon van Clos-Vougeot zou blijven voorzien. Voor de zekerheid sloot de Heilige Vader ook maar een akkoord met de doge van Venetië om de vrije doorgang van de pauselijke wijnen via de Venetiaanse havens naar Rome zeker te stellen. Het was allemaal nutteloos. In 1377 vertrok de paus naar de Eeuwige Stad om drie jaar later alweer terug te keren naar het paleis aan de Rhône. Zijn opvolger, Gregorius XI, hief meteen na zijn kroning de dreiging van excommunicatie op en vroeg de abt van Cîteaux om zijn hof opnieuw van wijn te voorzien. De brave abt stuurde onmiddellijk 30 vaten van zijn laatste oogst en werd daarvoor beloond met de kardinaalshoed.

Pinot noir

Philippe II le Hardi, hertog van Bourgondië. 16 – 18de eeuwse kopie van een verloren gegaan 14de eeuws portret uit het Chartreuse de Champmol, Dijon.

Tijdens het bewind van de machtige hertogen van Bourgondië werden regels uitgevaardigd om de kwaliteit van de wijn te verbeteren. In het jaar 1395 gelastte hertog Philips II (1342 – 1404) de ontworteling van de tot dan toe overvloedig verbouwde Gamay, “ce vil et déloyal plant” (“die verachtelijke en ontrouwe plant”), ten gunste van de Pinot noir. Ook verbood hij de bemesting van de wijngaarden omdat de opbrengsten veel te hoog waren, waardoor de kwaliteit kelderde. De hertog kende de commerciële waarde van zijn wijn (de “huitième” op de wijn was een van de vaste jaarlijkse belastinginkomsten), en zijn bemoeienissen liggen aan de basis van een succesvolle strategie om de Bourgogne aan de koninklijke hoven van Europa te positioneren als de beste wijn van Europa.

Ondertussen hadden de Cisterciënzer monniken de Pinot noir vanuit Bourgondië naar hun filiaal aan de Rijn gebracht, het klooster van Eberbach. Naar men zegt al rond 1335, hoewel de eerste vermelding van de Spätburgunder, zoals de druif in het Duits heet, in de Rheingau pas is te vinden in een oorkonde uit het einde van de 15de eeuw. Veel is het met de rode wijn daar nooit geworden, want witte wijnen waren veel gewilder op de markt in Keulen en brachten dus aanzienlijk meer op. Dat moge zo zijn, maar de Pinot liet zich er niet door tegenhouden. De hoge kwaliteit wijn die van de druif gemaakt kon worden bleef de wijnboerende kloosterlingen ertoe aanzetten om de wijnstok te verspreiden; naar Duitsland en naar Oostenrijk, waar de orde al in de 13de eeuw kloosters stichtte, onder andere het beroemde Stift Heiligenkreuz in het Wienerwald, met ook hier weer talloze dochterkloosters met bijbehorende boerderijen, in Oostenrijk en in Hongarije. Zo verspreidde zich, samen met de orde, de kennis van de wijnbouw en de Bourgondische wijnstok.

Pinot noir

Monnik snoept van de wijn terwijl hij een kruik vult, uit het 13de eeuwse “Li Livres dou Santé” van Aldobrandino van Siena.

Het was, even terzijde, ook een Benedictijner monnik, Dom Pierre Pérignon, die niet, zoals vaak wordt verteld, de champagne heeft uitgevonden, maar die wel aanzienlijke verbeteringen heeft aangebracht aan het productieproces en de kwaliteit. Een drank, overigens, waarin Pinot noir een prominente rol speelt. Geen pinot = geen champagne.

Over de intrede van de Pinot noir in Bohemen wordt het verhaal verteld dat het op initiatief van koning en keizer Karel IV (1316 – 1378) was, die zich driftig bezig hield met het bevorderen van de welvaart in zijn erflanden. Ter ondersteuning van het verhaal wordt gewezen op een inscriptie in een steen van een terras in een van de wijngaarden van Mělník: “Chambertin 1348”, als zijnde jaar en plaats van herkomst van de wijnstokken. Dat zal misschien zo zijn, maar de naam “Rulandské”, zoals de Pinot in het Tsjechisch heet (Rulandské modré, bílé en šedé: Pinot noir, blanc en gris), is toch werkelijk afgeleid van een Duitse naam voor de Pinot gris, Ruländer, naar Johann Seger Ruland (1683 – 1745), een koopman en apotheker die de wijnstok ontdekte in een door hem gekochte verwilderde tuin en hem vermeerderde, waarna de Pinot gris vanuit zijn woonplaats Speyer over Duitsland werd verspreid. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het verhaal van Karel IV daarom niet waar zou kunnen zijn. Een oude Tsjechische naam zou Roučí modré geweest zijn. Waarom dat op een gegeven moment ineens Rulandské is geworden? We laten het maar liever in het midden…

PINOT NOIR

Pinot noir is een hoogwaardige rode wijndruif. Ze kent een wereldwijde verspreiding, niet verwonderlijk voor een druif waarvan de wijn zo links en rechts als de “koning der rode wijnen” wordt betiteld. De naam “pinot” is waarschijnlijk afgeleid van de langwerpige vorm van de Pinot-druiven, die lijken op de kegelvormige vrucht (dennenappels) van de den, in het Frans “pin”. De Duitse naam, Spätburgunder (“late Bourgondiër”), die spreekt voor zich.

Pinot noir

Pinot noir. Prent uit de “Ampélographie” van Pierre Viala en Victor Vermorel, 1901 – 1910.

Pinot noir is een lastpak, zowel in de wijngaard als in de kelder. De druif stelt erg hoge eisen aan de bodem en het klimaat. op lichte, kalkrijke kleigronden bij betrekkelijk koele temperaturen geeft de druif de beste resultaten. De druiven groeien dicht tegen elkaar in de tros en hebben een dunne schilwand. Dat maakt ze, mede vanwege de late rijping in koele streken, vatbaar voor schimmels als meeldauw en grijze schimmel; rebzicaden (een beestje dat de bladranden aantast) en virusziekten zoals courtnoué, een gebreksziekte die de vruchtkwaliteit verminderd. Als alles goed verloopt heeft Pinot noir regelmatige, gemiddelde tot hoge opbrengsten. De hoge gevoeligheid van Pinot noir voor het terroir (bodemsamenstelling, ligging en klimaat) kan overigens juist gunstig werken omdat ze mede de smaak en het karakter van de wijn bepaalt. Ondanks de moeilijke teelt wordt Pinot noir dankzij de fijne geur en smaak wereldwijd steeds meer aangeplant. Bedroeg in 1960 het areaal nog slechts 10.375 ha., in 2016 was het opgelopen tot niet minder dan 105.480 ha., met een tiende plaats op de ranglijst van meest verbouwde druivenrassen.

Pinot noir levert fluweelzachte en volle robijnrode wijnen met een lange houdbaarheid, maar met een lage kleurintensiteit. De wijnen oxideren gemakkelijk (vooral na aantasting van botrytis) en krijgen dan een bruinrode tint. Het karakter komt het best tot zijn recht na een paar jaar rijping op de fles, wanneer de meer geprononceerde zuren wat zachter worden. Jonge wijnen worden gekenmerkt door aroma’s van bosvruchten, zwarte kersen, die later ontwikkelen tot rijpe fruittonen met een hint van leer, amandelen en pruimen.

PINOT BLANC EN PINOT GRIS

De Pinot komt ook in de kleuren wit en grijs; Pinot blanc en gris, beide genetische mutaties van de Pinot noir. Dat verschil is pas te zien als de bessen in augustus van kleur beginnen te veranderen. Pinot blanc (Weißburgunder, Rulandské bílé, Rulandské biele) en pinot gris (Grauburgunder, Ruländer, Rulandské šedé, Szürkebarát) worden tot de witte wijndruiven gerekend, hoewel de bessen van de pinot gris blauw zijn. Voor de champagne worden ze niet gebruikt, daarvoor komt alleen de Pinot noir in aanmerking. Pinot gris heet in het Hongaars Szürkebarát; grijze monnik, naar men zegt naar de kleur van de pijen van de Cisterciënzer monniken. Met een scherp oog voor marketing noemden de wijnboeren in de Elzas de druif graag Tokay d’Alsace, maar om de (doelbewuste) verwarring met de echte Tokaj wijnen te vermijden is dat door de EU niet langer toegestaan. Ook hier zijn, net als bij de Pinot noir, terroir, gecontroleerde opbrengst en de manier van wijnbereiding van grote invloed op het uiteindelijke resultaat: het spectrum loopt van zachte frisse, vriendelijke wijntjes tot karaktervolle klassewijnen.

Hongaarse wijndruiven


Furmint

Over de herkomst van de Furmint bestaan verschillende verhalen. Zo zou de druif tijdens het bewind van koning Bela IV in de 13de eeuw met Italiaanse immigranten naar Hongarije zijn gekomen. Een ander verhaal spreekt van een Venetiaanse prinses Aurora Formentini, die in de 17de eeuw trouwde met de magnaat Ádám Batthyány, en bij die gelegenheid de wijnstok meebracht. Tot zover de verhalen. Nu de feiten. De eerste keer dat Furmint in Hongarije in een document wordt genoemd is op 15 mei 1571, als groeiende in de Hétszőlő wijngaard in Tokaj. In 1611 is de druif gespot in de Gyepű vallei bij het stadje Erdőbénye, ongeveer 20 km. ten noorden van Tokaj. Dat is allebei ver na koning Bela, en ver voor prinses Aurora. Wat ook een feit is, is dat de druif volgens recent DNA onderzoek verwant is aan een oud ras, de Gouais blanc. Nu alleen nog geteeld door hobbyisten en liefhebbers, maar in de middeleeuwen een veel aangeplante variëteit in Centraal- en Noordoostelijk Frankrijk en het het Westelijk deel van Duitsland. Of gouias en furmint een gemeenschappelijke voorouder hebben, of dat de een is afgeleid van de ander, dat blijft onduidelijk. Theoretiserende deskundigen die met verhalen komen dat de druif uit Hongarije zou zijn meegekomen met de Hunnen (rond 450) of de Magyaren ( begin 10de eeuw) gaan we, na ons gezond boerenverstand te hebben geraadpleegd, naar het rijk der fabelen verwijzen. De HH Hunnen en Magyaren kwamen per slot niet naar West-Europa om een landbouwcoöperatie op poten te zetten, maar om te roven en te plunderen, om na gedane zaken weer huiswaarts te keren. De herkomst van deze oeroude Hongaarse druif blijft vooralsnog in nevelen gehuld. Wat in ieder geval wel een feit is, is dat Furmint met een areaal van ruim over de 4000 ha. de meest aangeplante wijnstok is in Hongarije. Furmint kan in verschillende stijlen worden geproduceerd, variërend van kurkdroge tot de extreem zoete edelrotte wijnen. Die laatsten, met name aszú-wijnen van Tokaji, gemaakt van de top 10-15% van de geoogste Furmint, kunnen een enorm verouderingspotentieel hebben. Dat is te danken aan het evenwicht tussen de hoge zuurgraad en het extreem hoge suikergehalte in door botrytis aangetaste druiven, dat als conserveermiddel fungeert tijdens het verouderingsproces. Droge stijlen van Furmint worden gekenmerkt door hun aroma’s van rook, peren en limoen. Wijnen in dessertstijl kunnen tonen van marsepein, bloedsinaasappel, abrikozen en gerstsuiker ontwikkelen. Naarmate deze dessertwijnen ouder worden, zullen ze vaak meer rokerige en kruidige tonen van tabak, thee, kaneel en zelfs chocolade ontwikkelen.


Hárslevelű
Lindenblättriger (D), Lipovina (SK), Frunză de Tei (RO), Feuille de Tilleul (F)

De naam, zowel in het Hongaars als in de andere talen, verwijst naar het lindeboomblad: de bladeren van de wijnstok lijken enigszins op lindebladeren en de geur en het aroma van de grote bessen doen denken aan lindebomen. Hárslevelű is te vinden in verschillende Hongaarse wijngebieden, maar het meest prominent in Somló en Tokaj-Hegyalja, waar hij na Furmint de voornaamste druif is voor het maken van de fameuze Tokaji Aszú en andere zoete dessertwijnen. Ook net over de grens, in de Slowaakse vinohradnícka oblasť Tokaj, waar dezelfde Tokaj wijnen worden gemaakt. In het Oostenrijkse Burgenland, dat tot 1921 bij Hongarije hoorde, wordt deze oude Hongaarse variëteit weer verbouwd voor het maken van wijn volgens de voorouderlijke traditie. De druiven, die erg vatbaar zijn voor grijze schimmel (Botrytis cinerea), produceren voornamelijk zoete, volle en geurige wijnen met een groengele tot geelgouden kleur, waar vooral de regio rond Debrő op het zuidelijke hellingen van het Mátra-gebergte bekend om staat: de Debrői Hárslevelű. Tegenwoordig worden in de regio echter ook droge, relatief alcoholrijke wijnen van vaak opmerkelijke kwaliteit geproduceerd.
Hárslevelű, gevinifieerd als een pure droge wijn, kan een volle, groengouden wijn opleveren met een intens aroma van kruiden, stuifmeel en vlierbloesem.

Hongaarse wijndruiven - Debrői Hárslevelű


Ezerjó

Ezerjó, in het Duits “Tausendgut”, werd in de 19e eeuw in grote delen van het Karpatenbekken verbouwd, maar is tegenwoordig alleen in een paar regio’s van Hongarije te vinden. Het bekendste teeltgebied is het wijnbouwgebied Mór, waar de Móri Ezerjó vandaan komt. Ezerjó vormt grote bessen met een dikke schil die een roodachtige kleur krijgen als ze volledig rijp zijn. De druivensoort rijpt vroeg en staat bekend om zijn hoge opbrengst, maar is ook vorstgevoelig en vatbaar voor botrytis. De wijnen zijn over het algemeen bleekgroen van kleur en hebben een vrij hoog alcoholgehalte en een hoge zuurgraad. Met uitzondering van Móri Ezerjó, die wordt beschreven als een van de beste droge witte wijnen van het land, worden de wijnen die van deze druif worden gemaakt niet erg gewaardeerd. In Mór geven kwartsrijke kalksteenbodems de voorkeur aan de Ezerjó. Naast droge witte wijnen kunnen er, afhankelijk van de locatie en de weersomstandigheden, ook zoete wijnen worden verkregen met behulp van edelrot. Ezerjó komt oorspronkelijk uit het noorden van Hongarije, maar wordt al sinds de middeleeuwen in het gebied rond Mór verbouwd. Tot de eerste helft van de 20e eeuw was het een van de meest voorkomende druivensoorten in Hongarije. In 1970 bedroeg het wijnbouwareaal 14.000 ha., sindsdien is het teruggelopen tot 1655 ha. in 2008.

Hongaarse wijndruiven - Ezerjó
Ezerjó

(Foto: Doris Schneider, Julius Kühn-Institut (JKI), Federal Research Centre for Cultivated Plants, Institute for Grapevine Breeding Geilweilerhof – 76833 Siebeldingen, GERMANY)


Kéknyelű

Kéknyelű, in de Duitse vertaling Blaustengler, is een zeer oude Hongaarse witte wijndruif. Het is waarschijnlijk een inheemse variëteit uit de regio Badacsony. Een tijd lang heeft men het vermoeden gehad dat er een nauwe relatie bestond met de Italiaanse Picolit bianco, maar DNA-onderzoek spreekt dat tegen. De wijnstok is uitsluitend vrouwelijk, dus er moeten dubbelgeslachtelijke wijnstokken tussen hen worden geplant om bestuiving te garanderen. In het verleden waren dit vooral die van de oude Hongaarse witte wijndruif Budai zöld, die nu zeer zeldzaam is geworden. Tegenwoordig zijn het vooral kruisingen tussen Budai zöld en Kéknyelű, die Rózsakő worden genoemd. Kéknyelű heeft vrij kleine, goud-groene, meestal bruin gevlekte bessen vormen kleine losse trossen, die erg vatbaar zijn voor vocht, vooral in zeer hete zomers. Het ras loopt relatief vroeg uit en is dus erg vatbaar voor late vorst, maar rijpt erg laat. Zowel de opbrengst als de kwaliteit van de bessen zijn onderhevig aan zeer grote jaarlijkse schommelingen. Over het algemeen stelt de wijnstok zeer hoge eisen aan de wijnmaker, zowel qua teelt als qua ontwikkeling van de wijnen, wat waarschijnlijk de belangrijkste reden is voor de sterke achteruitgang van deze kwaliteitsdruif.

Vroeger was Kéknyelű wijdverspreid in Hongarije, maar wordt nu alleen nog verbouwd in het gebied van het Balatonmeer, waar het uitstekende, stijlvolle en genuanceerde wijnen produceert met een goede houdbaarheid, vooral in de regio rond Badacsony, die door sommige kenners wordt beschouwd als de beste droge witte wijnen in Hongarije geworden. Ze zijn bleekgroen, tot 13,5% in volume, vrij sterk in alcohol en hebben een uitgesproken zure structuur.

Irsai Oliver

Irsai Oliver is ontstaan in de stad Kecskemét door Pál Kocsis in 1930 uit een kruising tussen twee regionale rassen, de Pozsonyi fehér (Wit van Bratislava) met de Csaba gyöngye (Parel van Csaba). Die laatste is weer een kruising van Madeleine Angevine met Muscat Courtillier, door Adolf Stark in Békéscsaba in 1904. Kocsis verkocht de eerste wijn gemaakt van de druiven aan een wijnhandelaar genaamd Oliver Irsai, vandaar dus de naam. De variëteit verspreidde zich vrij snel in de regio, ook naar buurland Tsjecho-Slowakije in 1936, maar het werd later in de jaren zestig en zeventig populairder.
De wijnen zijn vrij aromatisch, een van de eersten die elk jaar op de markt worden gebracht, omdat het ras extreem vroeg rijpt. Makkelijk drinkbare en vrolijke wijn met licht gouden kleur, aromatische muskaat neus, pure druivensmaak en kruidigheid in de mond, goede lage verfrissende zuurgraad met lichte body. Wijn om jong te drinken, meestal binnen het eerste jaar.

Juhfark

Juhfark (D.: Lammerschwanz) werd tot aan de phylloxera epidemie van het einde van de 19e eeuw in grote delen van Hongarije verbouwd, maar is nu eigenlijk alleen nog te vinden in de Somló-wijnstreek. In 2011 bedroeg het wijnbouwareaal 186 hectare. De naam Juhfark (lammerenstaart) is afgeleid van de lange, cilindrische vorm van de druiven, die aan het einde krommen. De wijnstok levert relatief hoge opbrengsten op, maar is ook gevoelig voor vorst en vatbaar voor valse meeldauw. De vulkanische bodem van Somló komt goed tot uitdrukking in het minerale en intense karakter van de wijnen die er van Juhfark worden gemaakt. Op kalkrijke bodems produceert de druif lichtere wijnen. De droge witte wijnen hebben een hoog zuurgehalte en worden omschreven als “relatief neutraal” en rustiek. Gerijpt in het vat kan de Juhfark ook elegante en complexe wijnen voortbrengen. Synoniemen voor Juhfark zijn onder meer Bacsó, Balaton szőlő, Dünnschalige en Papai.

Cserszegi fűszeres

De Cserszegi fűszeres (“kruidige uit Cserszeg”), afkomstig uit en genoemd naar het dorpje Cserszegtomaj in het comitaat Zala, in het westen van het land. Het is een kruising uit 1960 van Károly Bakonyi (van de faculteit voor landbouw van de Pannonische Universiteit) tussen Irsai Oliver en Roter Traminer, en via die Traminer-familie nauw verwant aan de kruidige Gewürztraminer. De druivensoort heeft een hoge opbrengst en een hoog suikergehalte. Hij is niet buitengewoon gevoelig voor kou, maar kan droogte wat minder goed verdragen. De druiven rijpen vroeg en worden in de tweede helft van september geplukt. De wijnen hebben een kenmerkend kruidig aroma en een volle smaak met een harmonieuze zuurgraad. De variëteit is in Hongarije vaak informeel bekend als fűszeres bor; “gekruide wijn”.

Hongaarse wijndruiven - Cserszegi fűszeres

Wijn van Cserszegi fűszeres is voornamelijk afkomstig van wijngaarden in de regio’s Csongrád, Hajós-Baja en Kunság van de Grote Hongaarse Laagvlakte en de regio’s Etyek-Buda, Balatonfelvidék, Zala en Mecsek in Transdanubië.

Kövérszőlő

“Vette druiven“, zoals de vertaling luidt, is een oude witte wijndruif uit Tokaj en Transsylvanië die tijdens de phylloxera-epidemie bijna was uitgestorven. In het Roemeens heet de druif “grasa”, wat hetzelfde betekent: vet, vanwege de grote omvang van zijn bessen. Behalve in Tokaj en Transsylvanië komt het ook voor in Cotnari, Moldavië. Kövérszőlő rijpt ongeveer twee weken eerder dan furmint en kan in de eerste helft van oktober worden geoogst. De productiviteit is echter vrij onbevredigend. De druif is rijk aan suiker en geeft een goed smakende, vurige, licht geurige, delicate zuurgraad en harmonieuze wijn. Hij produceert veel Tokaji Aszú van goede kwaliteit. Kövérszőlő smaakt uitstekend bij gevogelte en konijnenvlees.

Királyleányka

Királyleányka, “koningsdochter”, in het Duits bekend als Königliche Mädchentraube of Königsast; in Roemenië heet de druif Fetească regală. Over de afkomst van deze koningsdochter zijn de meningen verdeeld. Volgens de ene bron zou het gaan om een kruising tussen Muskateller x Sylvaner en Riesling; volgens een andere tussen Sauvignon blanc x Welschriesling. Het waarschijnlijkst is echter mening nr. 3, nl. dat het een natuurlijke kruising is tussen Kövérszőlő x Leányka (Fetească Albă; Weiße Mädchentraube), ontstaan in het jaar 1930 in het district Mureş in Transsylvanië. In 1973 werd de druif toegelaten in Hongarije. De druiven van deze zeer productieve wijnstok groeien in dichte, kleine trossen. De kleine, witachtig-groene bessen zijn sappig en hebben een lichte muskaatsmaak. De wijnen die van de druif worden gemaakt zijn lichtgeel van kleur, hebben een discrete muskaat- of bloemengeur en zijn delicaat, harmonieus en vol van smaak. Hij gaat goed samen met vis- en champignongerechten en lichte kazen.

Zéta

Zéta is een kruising van Furmint met Bouvier. De druif werd in de Tokaji regio geïntroduceerd in 1951, en voor productie toegestaan in 1990. De druif stond bekend als Oremus, naar de wijngaard van die naam, maar dat is veranderd in Zéta in 1999. Het grote voordeel van de druif is zijn grote potentieel voor hoge suikerconcentratie, vroege rijping (vier weken vroeger dan Furmint) en gevoeligheid voor botrytis. Dat maakt de druif uitermate geschikt voor de Tokaj specialiteiten. De wijn is vergelijkbaar met Furmint, vol, harmonieus en met een fijne zuursamenstelling en smaakt uitstekend bij wit (kalfs)vlees en zee- en zoetwatervis.

Wijndruiven uit Tsjechië en Slowakije

Omdat de geschiedenis van Tsjechië en Slowakije zo nauw met elkaar verbonden is, zijn ook de betrekkelijk nieuwe druivenrassen gezamenlijk ontwikkeld in het na-oorlogse Tsjecho-Slowakije. Acht variëteiten beschrijven we hier: de witte Muškát moravský, Devín, Pálava en Aurélius, en de blauwe André, Dunaj, Neronet en Cabernet Moravia.

Wijndruiven uit Tsjechië en Slowakije

Muškát moravský

Muškát moravský is een witte wijndruivensoort die in Tsjechië wordt gekweekt en gebruikt. Het is een kruising van Václav Křivánek (van het Wijn Research Centrum te Polešovice) tussen Muscat Ottonel en de zelden voorkomende Prachttraube, die op zijn beurt weer een Franse kruising is tussen Boskokisi x Madeleine Royale. Tot deze variëteit werd verkregen was er geen Muskaatdruif die geschikt was voor de specifieke condities in Moravië. In 1987 is de variëteit toegevoegd aan de lijst van rassen die voor gebruik zijn toegestaan. Het duurde tot 1993 voor de wijstok zijn definitieve naam kreeg. Muškát moravský-wijnen zijn meestal droog, met het bloemige, druifachtige karakter die geassocieerd worden met de Muskat-familie. Andere namen zijn: Muscat Moravia, Moravian Muscat en MOPr.

Devín

Devín werd in 1958 verkregen door Dorota Pospíšilová en Ondrej Korpás in het Wijn research Intituut van Bratislava door Tramín červený (Gewürztraminer) te kruisen met Veltlínske červené skoré (Malvasia). De wijnstok is geregistreerd in 1997 en genoemd naar het kasteel bij Bratislava, de burcht Devín. De druif is bijzonder geschikt voor de specifieke condities in Slowakije en groeit op zo ongeveer iedere plek.

Pálava

Deze witte wijndruif is in de jaren ’50 van de afgelopen eeuw verkregen door een kruising tussen Tramín červený (Gewürztraminer) x Müller-Thurgau door Josef Veverka van het Wijn Research Centrum in Velké Pavlovice. Hij is geregistreerd in 1977. De variëteit is genoemd naar de beschermde landschapsregio Pálava. De karakteristieken worden vaak vergeleken met Gewürztraminer. Wijnen gemaakt van Pálava worden vaak echter harmonieuzer en attractiever genoemd. De wijnen zijn gewoonlijk geel van kleur met groene tonen, de neus is wat exotischer, met tonen van gele meloen en sappige mango, met een intensief bloemig karakter en hint van kruidigheid. De smaak is majestueus, wat de wijnen erg gewild maakt. Wijnen van goede locaties en vooral van goede jaren zijn geschikt voor een lange rijping op de fles.

Aurélius

Aurélius is ontwikkeld in 1953 in het Wijn Research Centrum in het Moravische Perná door Josef Veverka en František Zatloukal. Het is een kruising tussen twee oude bekenden in Centraal Europa: Neuburger en Rheinriesling. De druif is geregistreerd in 1983. De stok gedijt goed op droge locaties omdat ze nogal gevoelig is voor grijze schimmel. Hij rijpt gemiddeld laat en de productie is gelijkmatig en goed, vaak met een hoger suikergehalte, wat de voorwaarden schept voor kwaliteitswijnen. De wijnen zijn geel-groenig van kleur met aroma’s die doen denken aan Riesling, maar intensiever en wat exotischer. De smaak is robuust en wat kruidig.

Wijndruiven uit Tsjechië en Slowakije
Christian Carl André (1763-1831), gravure van Blasius Höfel

André

Deze blauwe druif is een kruising van Blaufränkisch en St. Laurent uit 1960 van Jaroslav Horák van het Wijn Research Centrum in Velké Pavlovice. Hij is in 1980 in de lijst van toegelaten soorten opgenomen. De druif is vernoemd naar Christian Carl André (1763-1831), een van de leidende figuren in de Moravische Vereniging voor de Ondersteuning van Landbouw, Natuurwetenschappen en Heemkundestudies, en een van de oprichters van het František Museum (nu Moravisch museum) in Brno. De variëteit is erg resistent, maar omdat hij laat rijpt vereist hij goede, warme locaties en een diepe en vruchtbare bodem. Het werk in de wijngaard moet met overleg en nauwkeurigheid gebeuren. Hij heeft de neiging veel te produceren, waardoor de druiven niet tot volle rijping komen en een middelmatige wijn opleveren. De druif is in staat rijke wijnen te produceren met robijnrode kleur, een lichte neus van bessen onderstreept door ferme tannines en een zuurgraad wanneer de wijnen jong zijn. Rijping op de fles maakt de wijn ronder en beter gebalanceerd. De wijn rijpt goed in eikenhouten vaten, hetgeen op de fles wordt vermeld als “barikové”.

Dunaj

De Donau (SK: Dunaj) gaf haar naam aan deze rode variëteit, gekruist door Dorota Pospíšilová en Ondrej Korpás in het Wijn Research Instituut in Bratislava in 1958. De ouders zijn een kruising van Muškát Bouchet en Blauer Portugieser met St. Laurent. Ze zijn niet over een nacht ijs gegaan: pas na meer dan 20 jaar experimenteren op verschillende locaties werd de druif in 1997 geregistreerd. Omdat hij vroeg rijpt (eind september) is Dunaj zeer geschikt voor het Slowaakse klimaat. Hij is goed resistent tegen vorst en bot laat uit, dus nachtvorst in de lente doet de druif ook geen kwaad. Hij is geschikt voor de meeste types bodem, met uitzondering van hogere plekken met een steenachtig grondtype, waar de plant kan lijden onder een tekort aan water. Een goede waterhoudende bodem zorgen voor een goede opbrengst en een goede kwaliteit druif. De wijnen zijn vol van kleur en body met een delicaat karakter.

Neronet

Neronet is gecultiveerd in Tsjechoslowakije in 1965 in Lednice door professor Vilém Kraus van de Universiteit van Landbouw (heden ten dage de mendel Universiteit) in Brno. Het is een kruising tussen St. Laurent, Blauer Portugieser en Alibernet. Neronet rijpt vroeger dan Alibernet en heeft een regelmatige en goede opbrengst. Het is, net als de Alibernet, een teinturier, wat betekent dat het een wijn is met een intensief rode kleur die in hoeveelheden van niet meer dan 15% door andere, lichtere, rode wijnen worden gemengd om de kleur te verbeteren. De suikers in de druif worden omgezet in kleurstoffen en tannines, waardoor het suikergehalte in de most niet hoog is. De wijnen zijn donkerrood met helderblauwe tinten, met aroma’s van zwarte bessen en kersen. Sappig en rijk aan tannines zijn het wijnen die vaak langer op de fles kunnen rijpen.

Wijndruiven uit Tsjechië en Slowakije

Cabernet Moravia

Cabernet Moravia is een kruising tussen Cabernet Franc en Zweigelt. De variëteit (soms aangeduid met “M-43”) werd in de jaren 70 gekweekt door Lubomir Glos in Moravská Nová Ves in de wijnregio Slovácko. Cabernet Moravia werd in 2001 ingeschreven in het register van toegelaten wijndruiven. Een decennium later waren er in Moravië ongeveer 200 ha. aangeplant met Cabernet Moravia, een kleine 1 procent van het totale areaal van de Tsjechische Republiek. De wijnstok heeft een hoge groeikracht en heeft dicht opeengepakte trossen die vrij groot kunnen worden. De bessen zijn middelgroot met een dikke, stoffige, blauwzwarte schil. Deze dikke schil draagt bij aan de resistentie, vooral belangrijk omdat dit ras laat rijpt en infecties als grauwe schimmel een gevaar vormen in het late seizoen. De rode wijnen zijn diep gekleurd en hebben de kenmerkende cassis tonen van de Cabernet-familie. Ze zijn rond en soepel, met goed gestructureerde tannines en een lange afdronk. In het beste geval kunnen de wijnen van Cabernet Moravia worden gerekend onder enkele van de beste rode wijnen uit Moravië.

SAINT LAURENT

Saint Laurent, Pinot Saint Laurent, Sankt Laurent, Laurenzitraube, Svatovavřinecké, Svätovavrinecké

St. Laurent is een hoog aromatische rode wijndruif, een natuurlijke zaailing van Pinot noir. Volgens de Franse ingenieur en ampelograaf Chrétien Oberlin (1831 – 1916) is de soort afkomstig uit de Elzas. In het midden van de 19de eeuw zou de wijnstok door Johann Philipp Bronner (1792 – 1864), naast apotheker, rozenkweker en schrijver ook wijnbouwpionier, vanuit Frankrijk naar Duitsland zijn gehaald. In het plaatsje Wiesloch, op de hellingen van het dal van de Rijn bij de stad Spiers, had hij een stuk land verworven waarop hij aan het experimenteren was geslagen met wijnstokken van meer dan 400 verschillende rassen. Vanuit dit Wiesloch zou de St. Laurent zich dan hebben verspreid naar de buurlanden. Wat we in ieder geval zeker weten is dat in 1860 de eerste wijnbouwschool ter wereld is opgericht in het Stift Klosterneuburg bij Wenen, en dat daar toen, op initiatief van de Augustijner Koorheren, de St. Laurent is aangeplant. Dat zal er, samen met het feit dat St. Laurent nog steeds veel wordt verbouwd in Oostenrijk, waarschijnlijk de oorzaak van zijn dat de soort als inheems Oostenrijks wordt beschouwd. De naam, Saint Laurent, komt vermoedelijk van de dag dat de bessen beginnen te kleuren, “Lorenzitag”: 10 augustus, de feestdag van de Heilige Laurentius.

Saint Laurent

DE HEILIGE

Laurentius was een diaken in het Rome van de derde eeuw, verantwoordelijk voor het beheer van de centjes van de kerk. Nadat keizer Valerianus I op 6 augustus 258 vier van Laurentius’ collega-diakens plus de paus, Sixtus II, ter dood had laten brengen, probeerde hij Laurentius over te halen de schatten van de kerk aan hem over te dragen. Deze christenen waren namelijk zo fanatiek in het uitdelen van aalmoezen dat ze ongetwijfeld schathemelrijk moesten zijn, zo dacht de keizer; geld dat hij hard nodig had voor zijn oorlogen tegen de van alle kanten binnenvallende Franken, Goten, Perzen en ander janhagel. Laurentius stemde toe, werd vrijgelaten uit het cachot, spoedde zich naar zijn geldkoffers en verdeelde alles onder de behoeftigen van Rome. Toen ging hij met een grote groep armoedzaaiers terug naar de keizer met de woorden: “ziehier de schatten van de kerk”. Valerianus kon er niet om lachen. Hij liet het bijdehandje geselen, vervolgens boven een vuurtje roosten en ten slotte onthoofden. Laurentius is sindsdien de patroonheilige geworden van talloze beroepsgroepen, waaronder -voor ons verhaal van toepassing- herbergiers, hoteliers, koks, koekenbakkers en traiteurs plus nog een aantal andere waarbij vuur een rol speelt. Ook wordt hij -naast een scala aan andere ongemakken- aangeroepen bij brandwonden; ter voorspraak voor de zielen in het vagevuur en voor een goede wijnoogst. Dat laatste vanwege de schone, warme dagen rond zijn naamdag, want zoals de boeren het zeggen:

“Sankt Lorenz füllt mit heißem Hauch dem Winzer Fass und Schlauch” (Sint Laurens vult met hete adem het vat en de slang van de wijnboer).

DE WIJN

Maar nu terug naar de druif. De wijnstok is nogal veeleisend. Hij heeft een goede, warme plek nodig met een diepe, kalkhoudende, middelzware en vruchtbare bodem. De druif groeit dicht opeen in middelgrote, langwerpige trossen, heeft een zwart-blauwe kleur en een harde schil. Daardoor zijn de bessen minder gevoelig voor beschadigingen. De bloesem is echter kwetsbaar en is zeer gevoelig voor late voorjaarsvorst. De opbrengst is gemiddeld tot matig, en bovendien niet altijd zeker.

Saint Laurent
St. Laurent

(Foto: Ursula Brühl, Julius Kühn-Institut (JKI) Bundesforschungsinstitut für Kulturpflanzen Institut für Rebenzüchtung Geilweilerhof – 76833 Siebeldingen – GERMANY)

St. Laurent levert donkere, krachtige en fruitige rode wijnen met een fluweelzachte structuur en aroma’s van kersen of zwarte bessen. De wijnen zijn van hoge kwaliteit en hebben een goed potentieel om te rijpen op de fles.

Zoals gezegd wordt de druif in Oostenrijk veel verbouwd, zo’n dikke 700 ha., voornamelijk in de Thermenregion en in het noordelijke Burgenland. In buurland Tsjechië is hij nog populairder met liefst 1200 ha., op de voet gevolgd door Slowakije met een bijna even groot areaal.

Saint Laurent staat aan de basis van een aantal nieuwe druivenrassen: de welbekende Oostenrijkse Zweigelt en de wat minder bekende Tsjechische André zijn de nakomelingen van St.Laurent en Blaufränkisch; Neronet is het product van een kruising tussen St. Laurent, Blauer Portugieser en Alibernet.

ZWEIGELT

Blauer zweigelt, Zweigeltrebe blau, Rotburger

DE MAN

Friedrich (Fritz voor zijn vrienden) Zweigelt is geboren op 13 januari 1888 in het dorpje Hitzendorf bij Graz. In 1911 behaalde hij zijn doctoraat in natuurwetenschappen aan de universiteit van Graz, waar hij assistent werd aan het “Pflanzenphysiologischen Institut”. Zweigelt studeerde verder aan de Wiener Universität für Bodenkultur.

In 1912 trad hij in dienst bij de eerste en oudste wijnbouwschool van de wereld, het in 1860 opgerichte “K.u.K. Höheren Lehr- und Versuchsanstalt für Wein- und Obstbau Klosterneuburg” (Keizer- en Koninklijke Hogere Leer- en Onderzoeksinstelling voor Wijn- en Fruitbouw Klosterneuburg) bij Wenen. In 1921 richtte hij samen met Paul Steingruber en Franz Voboril het “Bundesrebenzüchtungsstation” op, het “Bondsdruivenkweekstation”. Niet meer K.u.K., want Oostenrijk was inmiddels een republiek geworden. Hier werd gezocht naar nieuwe variëteiten die een betere resistentie tegen druivenziekten hadden en een grotere, of betere, opbrengst zouden geven. Onder de eerste kruisingen (ex 1921) was een zaailing met het nummer 71, een kruising van de in Oostenrijk inheemse soorten St.Laurent en Blaufränkisch, die al vroeg veelbelovend leek. In 1922 kruiste Zweigelt met succes Welschriesling met Orangentraube (een wilde variëteit), en een jaar later Blauer Portugieser met Blaufränkisch. De nieuwe soorten zouden in 1978 resp. als “Rotburger”, “Goldburger” en “Blauburger” in de Oostenrijkse Rebsortenverzeichnis für Qualitätsweine zouden worden opgenomen.

In 1922 kruiste Fritz Zweigelt ook de witte Veltliner Fruehrot met Grauer Portugieser, waaruit een soort ontstond die in 1960, bij het 100-jarig jubileum van het instituut, werd gepresenteerd als “Jubiläumsrebe”. De soort wordt nauwelijks nog verbouwd.

Zweigelt
Fritz Zweigelt (1888 – 1964)

De reputatie van Zweigelt, sinds 1929 ook hoofdredacteur van het tijdschrift “Das Weinland; Zeitschrift für Kellertechnik und Weinbau”, steeg al snel tot die van meest eminente wijnbouwexpert van Oostenrijk, ook internationaal. Samen met vaklieden uit heel Europa zette hij zich sinds de late jaren ’20 in voor het bevorderen van de kwaliteit in de wijnbouw en het indammen van het verbouwen van de zgn. Direktträger; wijnstokken die niet geënt zijn, maar groeien op hun eigen wortels. Vrijwel alle Europese wijnstokken zijn veredelingen sinds de druifluis (Phylloxera) epidemie in de 19de eeuw vrijwel de hele Europese wijnbouw te gronde richtte. Door het enten op Amerikaanse -voor de druifluis resistente- soorten konden de Europese variëteiten behouden worden. Zijn monumentale boek hierover, “Die Direktträger”, geschreven in samenwerking met Albert Stummer, geldt tot op de dag van vandaag als een standaardwerk.

Vanaf 1933 kleurt het decor onheilspellend bruin rond Fritz. Zweigelt wordt lid van de Oostenrijkse tak van de NSDAP, de Duitse Nationaal-Socialistische partij, die destijds in Oostenrijk verboden was. Hij deelde folders uit van de “Hakenkreuzler”, ondernam “pelgrimstochten” naar swastikavlaggen, waarvoor hij “in ontzag en ontroering” verstijft. Als in 1938 Oostenrijk ophoudt te bestaan, springt zijn hart op: “De boze droom werd verjaagd door de dreunende voetstappen van Duitse soldaten. De Joodse speculatieve geest is voor altijd de grond ontnomen.” In een beoordeling verklaart het Gaupersonalamt (het bureau van het nieuwe nazistische “provinciebestuur”): “(Zweigelt) ..was al in de Systemzeit (de tijd vóór de Anschluss) een fervent aanhanger van onze beweging en heeft ook zijn zoon in de nationale zin opgevoed.” Zweigelt wordt aangesteld als directeur van het Instituut Klosterneuburg.

Meteen na zijn aantreden gaf de kersverse Herr Direktor niet minder dan 45 van de leraren hun congé. Vanaf nu heerste in het instituut een nieuwe geest: “Der Wille des Führers ist uns heiliges Gebot. In ihm wuchtet der Willen eines einigen und mächtigen Volkes” (De wil van de Führer is ons heilige Gebod. Hij torst de wil van een verenigd en machtig volk), zo klonk het vanuit de directiekamer. Hij deed wat van schooldirecteuren werd verlangt: hij liet hakenkruisvlaggen hijsen, sloot joden uit van het onderricht en weerde leerlingen met een of meer joodse grootouders. Toen in 1940 bleek dat een van zijn leerlingen in verbinding stond met de Katholieke verzetsgroep rond de priester Roman Scholz greep hij hard in.

Het was vrij onschuldig wat leerling Josef Bauer had uitgedacht: hij wilde samen met andere jongens de “Hitler-Eik” beschadigen. Niet met een zaag, maar met pesticiden, “om hem van binnenuit tot afsterven te brengen”. Hoewel Bauer door zijn leraren een “grote streber en goede leerling” werd genoemd, en gepleit werd om in ieder geval het onderzoek van de Gestapo af te wachten, stuurde Zweigelt hem per direct heen. De jonge man zou de 32 maanden die de oorlog nog zou duren in de gevangenis doorbrengen.

Na de val van het Derde Rijk werd Zweigelt gearresteerd en opgesloten in het Anhaltelager (detentiekamp) Klosterneuburg. Hier speelde hij de rol van de misleide idealist. Niemand trapte er in: de voormalige Herr Direktor werd aangeklaagd wegens “volksophitsing”. De strafzaak tegen Zweigelt werd vanaf 1948 door Bondspresident Karl Renner (SPÖ) op het pad der genade gerangeerd. In openbare dienst keerde de “minderbelastete” wetenschapper echter niet meer terug. Zijn levensavond bracht Fritz door in Graz, waar hij stierf op 18 september 1964. Hij ligt begraven op het St. Peter Stadtfriedhof.

Sinds 2002 kwam de organisatie van een regionale wijnproeverij in Kamptal op het idee om een jaarlijkse Fritz Zweigelt-prijs toe te kennen aan een wijnmakerij. De prijs werd in 2016, na een storm van kritiek, weer afgeschaft.

DE DRUIF

Nadat Zweigelt’s langjarige medewerkers Paul Steingruber en Leopold Müller na de oorlog de druivenkwekerij van Klosterneuburg nieuw leven in hadden geblazen, bleek kruising nr. 71 ex 1921, die van St. Laurent x Blaufränkisch, met kop en schouders boven de andere probeersels uit te steken: “pracht, kleur, smaak en reuk uitstekend, een zeer fraaie type rode wijn”. Het was in de eerste plaats aan Zweigelt’s leerling en bewonderaar Lenz Moser (1905 – 1978) te danken dat de wijnstok de populariteit kreeg die hij nu heeft. Hij vermeerderde het materiaal in zijn kwekerij en bracht het plantgoed vanaf 1960 in de verkoop.

Zweigelt
Blauer Zweigelt

Foto: Ursula Brühl, Julius Kühn-Institut (JKI) Bundesforschungsinstitut für Kulturpflanzen Institut für Rebenzüchtung Geilweilerhof – 76833 Siebeldingen – GERMANY

Zweigelt stelt niet erg veel eisen aan de bodem en is erg goed bestendig tegen wintervorst. Op diepe, voedselrijke bodems levert het ras zeer hoge en regelmatige opbrengsten. Vanwege zijn groeikracht heeft de wijnstok intensief loofwerk en opbrengstregulatie nodig. De druif heeft ook mindere kanten: hij is gevoelig voor botrytis en de bessen hebben de neiging om ongelijkmatig te rijpen. Tegen het einde van de vorige eeuw bleek de stam ook gevoelig te zijn voor Stolbur-fytoplasma, een bacterie die het weefsel van de plant aantast. Een nieuwe ziekte verscheen in de jaren negentig, beginnend in het noorden van Burgenland, waarbij de druiven verwelken in de rijpingsfase (ook wel “Zweigeltziekte” genoemd). De nadelen wegen echter niet op tegen de voordelen. De wijnstok is in staat om zowel grote opbrengsten als bessen van grote kwaliteit te produceren, en is uitermate geschikt voor het klimaat in Centraal-Europa, getuige ook de almaar toenemende populariteit van de druif in de buurlanden Tsjechië, Slowakije en Hongarije. In Oostenrijk is de variëteit vooral te vinden in het wijnbouwgebied Neusiedlersee en in de oostelijke wijnbouwgebieden van Neder-Oostenrijk. In 2017 besloeg Zweigelt in Oostenrijk al bijna 14% van het totale areaal. Hij is de meest verbouwde rode wijnvariëteit, vóór de Blaufränkisch, die zijn koppositie in het land heeft moeten inleveren. In Duitsland wordt zweigelt voornamelijk verbouwd in Württemberg, Saale-Unstrut en Franken.

DE WIJN

De Oostenrijkse traditie van kwaliteits-rode wijn is erg jong. Pas na de jaren ‘80 jaren boekten de eerste pioniers serieuze successen in rode wijn. Tot op dat moment ging het alleen om een zo hoog mogelijke opbrengst per ha. Als het om wijn ging werd er in de meeste Wirtshäuser destijds alleen onderscheid gemaakt tussen wit en rood. Alleen de herkomst werd met krijt op een bord geschreven, en ook dat maar sporadisch. Zweigelt was destijds populair vanwege zijn hoge opbrengst. Nog in de 1960er en 1970er jaren gold de wijn als massadrank. Niemand was op het idee gekomen om er wat anders van te maken dan sloeber van de toog. Op één na, die ook in andere opzichten het kwaliteitsniveau van de Oostenrijkse wijnen opschroefde: Anton Kollwentz uit Großhöflein, die al in 1966 de zweigelt bottelde als enkele raswijn. Het zou nog een hele tijd duren voor anderen zijn voorbeeld gingen volgen.

Vanaf de jaren ‘80 begonnen de bemoeienissen om het grote potentieel van de druif om kwaliteitswijnen te produceren te benutten serieuze vormen aan te nemen. Enkele wijnbouwers creëerden enkelsoortige zweigelt wijnen, maar meer en meer werden de druiven van hoge kwaliteit gebruikt om samen met andere druiven te versnijden in fraaie, klassieke premium cuvées.

De kwaliteitswijnen die van zweigelt worden gemaakt zijn elegant, rijk en fruitig en hebben een paarsrode kleur. Het bouquet bevat vaak vanille-aroma’s en zachte tannines in de afdronk, jong met een karakteristiek zuur kersenaroma. Als de opbrengst te hoog is, worden de wijnen dun, lichtrood van kleur en onharmonisch van smaak.

DE NAAM

Lenz Moser was niet alleen degene die de zweigelt voor de vergetelheid heeft behoed; hij was het ook die voorstelde de nieuwe soort naar zijn kweker te noemen. Zweigelt schrijft hem in 1956: “Zonder jou zou deze rode wijndruif nauwelijks nog aandacht krijgen. De kleine geesten, die nog steeds van haat leven, zouden het niet graag zien dat ik misschien eens in de wijngaard op een tafel als Zweigelttraube een feestelijke heropstanding vier.” De officiële benaming, “Zweigeltrebe blau”, verschijnt in 1972 op in de nieuwe lijst van druivensoorten voor kwaliteitswijnen. In 1978 werd de soortnaam veranderd in “Blauer Zweigelt”. Tegelijkertijd werd op verzoek van het HBLA Klosterneuburg het synoniem “Rotburger” ingeschreven. Daarmee zou de gemeenschappelijke herkomst met de (hierboven genoemde) Goldburger en Blauburger duidelijk gemaakt worden. De naam Rotburger wordt door enkele wijnmakers nog gebruikt op het etiket, maar de meeste producenten gebruiken de inmiddels veel bekendere naam zweigelt.

Door het “Institut ohne direkte Eigenschaften”, een collectief van “AktivistInnen uit het alternatieve politieke, sociaal innovatieve en avant-gardistisch kunstzinnig gebied” (aldus de website van de club) werd in 2019, zinspelend op het verleden van Fritz Zweigelt, voorgesteld om de “Blauer Zweigelt” om te dopen in “Blauer Montag”. Het was bedoeld als ludieke actie, maar werd onverwacht internationaal opgepikt. Dat de wijn werkelijk zal worden omgedoopt tot “Blauer Montag” of zelfs maar tot “Rotburger” lijkt kansloos. Thomas Leitner, Wijnboer uit Langenlois en achter- achterkleinzoon van Zweigelt, verwoordt wat de meeste Oostenrijkse wijnboeren denken: “Uit economisch opzicht zou de herbenaming van zweigelt een catastrofe zijn. In heel Noord-Amerika, in Japan en in Europa, overal drinken de mensen graag zweigelt. Wanneer dan een bestelling van een klant komt en we zeggen, er is geen zweigelt meer, dan zou ons dat 10 tot 15 jaar achteruit zetten.”

Het slotwoord laten we aan de wijnboeren, voor wie het dilemma van de naam het zwaarste weegt:

“Dr. Zweigelt was een succesvol wetenschapper par excellence, maar hij viel in een ongelukkige historische periode, die voor zijn onderzoeksresultaten zeer belastend waren. Een Oostenrijkse wetenschapper met een typisch Oostenrijks lot.” (Hans Cerny, Fels am Wagram)

“…een zeer twijfelachtige politieke houding, die ondanks alle waardering voor zijn kweeksucces keer op keer moet worden vermeld.” (H.P. Göbel, Wien – Stammersdorf)

“Als druivenkweker behaalde hij een groot succes met de naar hem vernoemde druivensoort, die het in zeer korte tijd tot de belangrijkste rode wijnvariëteit in Oostenrijk maakte en verspreidde in de buurlanden. Men moet niet vergeten dat de heer Prof. Fritz Zweigelt een fervent NAZI was en ook na de oorlog zijn overtuiging niet veranderde. Het is bekend dat hij een van zijn studenten heeft overgedragen aan de GESTAPO. Dit toont aan dat zijn karakter, in tegenstelling tot dat van zijn fantastische, fruitige rode wijnvariëteit, zeer miezerig was. Er is dus geen reden om de persoon Zweigelt te verheerlijken. Hij was een miserabel mens die (met de hulp van zijn medewerkers, die zelden worden genoemd) erin slaagde een geweldige wijnstok te kweken. We moeten dus de variëteit waarderen en de persoon vergeten!” (Ing. Hermann Detz, Poysdorf)

GRUENER VELTLINER

Weißgipfler, Veltlínské zelené, Zöld veltelini

De Grüner Veltliner is de meest in Oostenrijk aangeplante soort, vooral in Niederösterreich, met een areaal van bijna 15.000 ha. Buiten Oostenrijk wordt, behalve in de buurlanden Tsjechië, Slowakije en Hongarije wordt de druif nauwelijks verbouwd. Hoe lang de Grüner Veltliner al in het Oostenrijkse verwijlt blijft in de nevelen van het verleden verborgen. Er wordt zo links en rechts gefluisterd dat de wijnstok al in dagen van de Romeinen werd verbouwd, maar daarvoor is geen enkel bewijs.

Omdat in historische bronnen van vóór de 19de eeuw met de naam “Veltliner” vrijwel altijd de “Rote Veltliner” bedoeld werd, ontstonden een heleboel dwalingen over de soort. Eentje is bijvoorbeeld dat aan de rode wijnen uit het Italiaanse Valtellina (“Veltlin“; een bergdal in de provincie Sondrio, Noord-Italië, grenzend aan Zwitserland) een verwantschap werd toegedicht. Om het allemaal nog ingewikkelder te maken werd de Grüner Veltliner zelfs nog tot 1930 veelal „Grüner Muskateller“ genoemd. Ook de naam „Weißgipfler“ was algemeen.

De Oostenrijkse historicus Erich Landsteiner beweert dat de druif als “Muscateller” voor het eerst genoemd wordt in een oorkonde uit 1582. Het gaat om een overeenkomst tussen de Wiener Hofkammer en de Weense koopman Jobst Croy over de levering van 8000 Eimer (= 4.640 hl.) wijn voor het proviandswezen in Hongarije. In de 18de eeuw is de druif onder de naam van „Grüner Muskateller“ bekend in Niederösterreich ten noorden van de Donau en in de aangrenzende wijngebieden van de March en de Thaya evenals in het gebied van de Manhartsberg. Van die Manhartsberg, een lage bergrug in Neder-Oostenrijk, komt dan weer een andere naam voor de druif: de Manhardsrebe, Manhardtraube of Mouhardrebe. Nog eens drie van de ± 80 (!) synoniemen die er in de loop der tijd voor de druif bedacht zijn, wat een aanwijzing zou kunnen zijn voor de ouderdom van de druif.

Gruener Veltliner
Grüner Veltliner

(foto: Doris Schneider, Julius Kühn-Institut (JKI) Bundesforschungsinstitut für Kulturpflanzen Institut für Rebenzüchtung Geilweilerhof – 76833 Siebeldingen – GERMANY)

Apotheker en wijnbouwkundige Franz Josef Schams (1780-1839) schrijft in zijn boek uit 1833 “Ungarns Weinbau in seinem ganzen Umfange” over de voorliefde van de wijnboeren uit Preßburg (het huidige Bratislava) voor de “grüner Muskateller”: “Alleen voor deze druif heeft de wijnboer Sinn und Liebe, en met deze verjaagt hij alle edele soorten uit zijn wijngaarden, zonder acht te slaan op de 2de paragraaf uit de stedelijke verordening van 1804, waarin opgedragen wordt de vermeerdering van de grüner Muskateller op de Preßburger wijnbergen zo veel mogelijk te verhinderen, omdat het sap van de druiven slechte, inhoudsloze wijn levert”.

In 1837 noemt de agronoom Johann Burger (1773 – 1842) in zijn “Systematische Klassifikation und Beschreibung in den österreichischen Weingärten vorkommenden Traubenarten” als centrum voor de cultivering van de Plinia austriaca (oftewel de Grünmuskateller) het Retzer Land en de Brünner en Horner Straße. Volgens August von Babo (1827 – 1894, wijnbouwonderzoeker en directeur van de wijnbouwschool Klosterneuburg) en Edmund Mach (1846 – 1901, landbouwchemicus en oenoloog) in hun “Handbuch des Weinbaues und der Kellerwirtschaft” (1881–1882) wordt de Grüner Veltliner voor het eerst met name genoemd. De uitgebreide beschrijving van de soort bewijst dat het hier om dezelfde wijnstok gaat als de “Grünmuskateller”, een naam waarover de heren schrijven: “enkel omdat deze benaming algemeen is, willen we ze bijbehouden”.


Daarmee was de ampelograaf Hermann Goethe (1837 – 1911) het hartgrondig eens. In 1887 schrijft hij in zijn “Handbuch der Ampelographie”: de “Grüner Velteliner: Niederösterreich.. Syn. Weissgipfler. grüner, Manhardsrebe und irrthümlich Grün-Muskateller, obwohl er gar keinen Muskatgeschmack besitzt” (abusievelijk Grün-Muskateller, hoewel hij helemaal geen muskaatsmaak heeft). Ook vermeldt hij dat de druif veel en goede tafelwijn levert, en dat de in Franz Xaver Trummer’s “Classification und Beschreibung der im Herzogthume Steiermark vorkommenden Rebensorten” (1841) beschreven “weisse Velteliner” een heel andere soort is dan de “grüne Velteliner”. En ook daarmee zat Goethe op het goede spoor. De Grüner Veltliner hoort helemaal niet tot de eeuwenoude familie der Veltliners. De verwarring zou mogelijk kunnen komen door een van de vele mutaties van de Roter Veltliner; de Brauner Veltliner, waarvan de rijpe bessen bruingrijs kleuren, die verward werd met de Weißgipfler, die daarom op zijn beurt werd aangezien voor een nieuwe mutatie en dus aangeduid werd met de naam Grüner Veltliner. Het is en blijft giswerk en hoe dan ook geheel terzijde.

Met Muskateller heeft de druif dus niets te maken, en evenmin met de Veltliner, rood, bruin of van welke kleur dan ook. Wat genetisch onderzoek inmiddels wel heeft vastgesteld is dat in het genoom van de Grüner Veltliner duidelijk de afdruk van de oude en wijd verspreide Traminer te herkennen is. Bij een afstamming van een kruising met Traminer moet het andere ouderdeel, voor zover het de morfologie betreft, meer hebben doorgezet. Anders gezegd: die onbekende druif zou de eigenschappen moeten dragen die we van de Grüner Veltliner kennen. Meer licht op de zaak kwam uit onverwachte hoek, uit het dorpje St.Georgen am Leithagebirge, sinds 1970 deel van de gemeente Eisenstadt, Burgenland.

ST. GEORGEN

De eerste vermelding in de annalen van de geschiedenis van St.Georgen dateert van de 12de mei van het jaar onzes Heren 1300, als Villa Sanctii Georgii. In 2000 zou dus het 700-jarig bestaan worden gevierd, waarvoor door de vereniging “Dorfblick” een brochure werd voorbereid, getiteld “St. Georgen – Geschichten und Geschichten (2000)”. In het kader van de onderzoekingen werden de summiere aanwijzingen nagetrokken van enkele bejaarde dorpelingen, volgens welke zich een zeer oude wijnstok zou bevinden op het grondgebied van Freistad Eisenstadt. Het betreffende grondstuk, de “Hetscherlberg” (nu de “Viehtrift”), zou al sinds mensenheugenis gediend hebben als wijngaard. Al in het Bergboek van 1570 wordt de plek genoemd als wijngaard. Resten van muren van zwerfkeien duiden op een nog oudere verkaveling. Tot het midden van de jaren 1950 gebruikten de herders het gebied als weidegrond. De oude mannen die in hun jeugd als herder hadden gediend wisten van een wijnstok “met zeer aromatische druiven”, die door stekelige begroeiing beschermd werd tegen de vraatzucht van het vee. Op grond van de beschrijvingen en een tekening op een bierviltje wist de penningmeester van de vereniging, Michael Leberl, de wijnstok te lokaliseren.

Gruener Veltliner
De eeuwenoude wijnstok op de Viehtrift

Overwoekerd door struikgewas leed de wijnstok een kwijnend bestaan. De meervoudige en deels afgestorven stam liet aannemen dat de druif al een paar eeuwen oud moest zijn. Door een gebrek aan zonlicht toonde hij een verzwakte aanblik, met korte loten en kleine bladeren. Desondanks was het een klein wonder dat de plant überhaupt nog bestond. De wijngaard waarvan ze eens deel had uitgemaakt was eind 19de eeuw verwoest door de druifluis-epidemie en daarna verlaten. Als enige had de druivelaar niet alleen de vernielzuchtige parasiet overleefd, maar ook de grillen van het weer en de daarmee gepaard gaande schimmelinfecties zoals meeldauw hadden hem niet klein gekregen.

Een eerste poging om met traditionele middelen de soort te determineren bleef zonder succes. Pas toen in 2006 als gevolg van sanering van de voormalige weidegrond van de Viehtrift de eeuwenoude wijnstok bijna gerooid werd, werd er gentechnisch onderzoek gedaan in het Höhere Bundeslehranstalt und Bundesamt für Wein- und Obstbau te Klosterneuburg. Na uitgebreid onderzoek kwam de geneticus Dr. Ferdinand Regner tot de bevinding dat het bij de oude wijnstok uit St.Georgen om het tot dusver onbekende ouderdeel van de Grüner Veltliner gaat. De vondst van de druif in het Leithagebergte geeft echter geen uitkomst over de voormalige verspreiding van de soort. Vergelijkingen van het genetische profiel met databanken in Hongarije en Kroatië bleven zonder resultaat.

Op voorstel van Regner werd de druif “St.Georgen” genoemd, in ieder geval als tussenoplossing tot misschien de werkelijke soortnaam ooit nog boven water komt. Uitgaande van deze ene wijnstok werd in de volgende jaren een proefwijngaard in de wijngaard van Hans Moser in St.Georgen en een in die van het HBLA Klosterneuburg in Langenzersdorf aangeplant. Op 29 September 2015 kon in St.Georgen 481 kg. druiven geoogst worden, waaruit 300 l. wijn werd gemaakt. Die eerste wijnen worden beschreven als: “lijkend op Veltliner of Furmint, met facetten van Neuburger tot mineralisch en Bourgondisch, complex, zeer veelzijdig geurig en aromatisch op de tong; een verbazingwekkende frisheid ondanks de nederige zuren”.

Gruener Veltliner

GRUENER VELTLINER

Dat lijkt verdraaid veel op karakteristieken die we van een goede kwaliteit Grüner Veltliner kennen: een wijn met een altijd weer verrassende frisheid, met aangename lichte en kruidige aroma’s van peper en intensieve tonen van citrus en vruchten, vooral perzik. Maar ook als mindere, middelmatige kwaliteit is Grüner Veltliner altijd nog een heel aardig fris wijntje dat buiten in het zonnetje heel genietbaar is. Geen wonder dat de druif haar populariteit die ze in de 19de eeuw genoot niet alleen helemaal heeft terug gewonnen, maar zelfs heeft overtroffen. In 2015 was niet minder dan 14.375 ha. met Veltliner beplant: meer dan 47% van het totale areaal aan witte druiven in Oostenrijk, en ook in buurland Slowakije is het de meest verbouwde witte wijndruif. Grüner Veltliner gedijt vooral goed op lössbodems zoals in het noordelijke Weinviertel, waar de druif in de bodem en het klimaat optimale omstandigheden heeft, en ook in Wachau, Kamptal, Kremstal, Traisental en Wagram neemt de druif veruit het grootste aantal ha. in beslag. In 1972 werd het ras als “kwaliteitsdruivenras” ingeschreven, en in 1995 werd Grüner Veltliner door de EU als “aanbevolen druivenras” in Stiermarken erkent, nog 1 stapje hoger op de kwaliteitspredikaten-ladder, in lijn met de Oostenrijkse wetgeving.

NEUBURGER

Neuburger is een witte Oosenrijkse druivensoort die vermoedelijk is ontstaan door spontane kruising tussen Roter Veltliner en Silvaner. De geschiedenis van de Neuburger is nauw verbonden met Wachau en de Donau. Een wijd verbreide overlevering wil dat rond 1850 een bundel wijnstokken aanspoelde aan de oever van de Donau in Oberarnsdorf. Ze werden gevonden door schipper en wijnboer Christoph Ferstl en wijnboer Franz Machherndl, die de stokken aanplantten in de Ecklgrund. De krachtige groei van de druiven en de goede kwaliteit wijn die ervan gemaakt werd baarden opzien. Later stak de druif de Donau over naar het aan de andere zijde van de Donau gelegen Spitz am Donau, waar ze door wijnboer Langwieser werden aangeplant op de hellingen van de ruïne van het kasteel Hinterhaus; de Burgberg. Hier kreeg de druif zijn naam: de “Neuer vom Burgberg” (de “nieuwe van de Burchtberg”), afgekort Neuburger. Vanuit Spitz verspreidde de plant zich door de hele Wachau. Tegenwoordig wordt de druif in het Oostenrijkse vooral verbouwd in de Thermenregion (Niederösterreich) en het wijnbouwgebied Neusiedlersee (Burgenland). Dat “wordt” is echter in snel tempo “werd” aan het worden: het aantal hectare dat beplant is met Neuburger wordt met het jaar kleiner. Het areaal is onder de 500 ha. gezakt; in het oorsprongsgebied, Wachau, is het in de laatste halve eeuw gehalveerd tot nog geen 43 ha.

Neuburger

Ruinen des Schlosses Hinterhaus. Niederoesterreich” ± 1830, lithografie van Adolph Friedrich Kunike (1777 – 1838)

Een van de sterkste punten van Neuburger is zijn resistentie tegen hitte en droogte. De druif stelt ook nauwelijks eisen aan de bodem. Toen de wijngaarden nog niet werden geïrrigeerd was dat een groot voordeel, maar nu elke wijnboer zijn beregeningssysteem heeft wordt de Neuburger steeds vaker opgeofferd aan variëteiten als de Grüner Veltliner, die bij de consument veel populairder is en waarvan de druiven een hogere prijs opleveren. Een groot probleem van Neuburger is ook de “Kurztriebigkeit”; een fenomeen dat in sommige jaren optreedt en in andere niet. Daarbij blijven de scheuten extreem kort en ontwikkelen maar weinig blad. In extreme gevallen sterft de hele wijnstok af. Daar komt nog bij dat Neuburger vanwege de zeer dicht op elkaar groeiende bessen gevoelig is voor schimmel. Vooral in hete zomers knappen door de zachte schil altijd een aantal van de vroeg rijpende bessen en veroorzaken zo azijnrot. Daardoor moet dan al gauw zo’n 30% van de tros worden weggesneden, wat, mede door de arbeidsintensiviteit, een flinke kostenpost is.

Neuburger

Waarom, zo zou een mens zich zo onderhand gaan afvragen, het dan toch loont om de Neuburger te behouden? Wel: “Gerijpte, krachtige Neuburgers, die na vijftien of twintig jaar rijpen hun onmiskenbare, nootachtige smaak presenteren, horen tot de allerbeste witte wijnen uit Oostenrijk”, zoals een kenner het verwoordt. Neuburger is een elegante, complexe wijn met nootachtige aroma’s, die ondanks de lage zuurgraad nooit vlak smaakt. De jonge wijn is kruidig en bloemig; naarmate hij langer rijpt wint hij aan subtiliteit en krijgt de nootachtige smaak de boventoon. Dankzij de gevoeligheid voor botrytis worden ook fraaie edelzoete wijnen gemaakt.

Neuburger
Het monument voor de Neuburger in 1935.

In 1935 werd in Arnsdorf het “Neuburger Denkmal” opgericht; een monument ter ere van de druif, onthuld tijdens het 9de Oostenrijkse Wijnbouwcongres. Het was een soort toren-achtig kapelletje met een beeld van St.Urbanus, de beschermheilige van de wijnboeren, de wijngaarden en de wijn. Onder het monument was een kelder met 300 flessen Neuburger uit de beste wijngaarden. Het was de bedoeling om iedere tien jaar de kelder te openen voor een feestelijke proeverij en de plechtige bijzetting van nieuwe flessen. De oorlog stak er een stokje voor. Sterker nog: in mei 1941 werd het monumentje door een bende nazi’s opgeblazen; de wijn werd opgezopen. Toen het falderappes stomdronken huiswaarts was gekropen bleven er niet meer dan 35 flessen achter. In 1983 werd op dezelfde plek een wijnzuil opgericht, die in 2000 door een nieuw kapel-achtig gebouwtje werd vervangen, dat een beetje lijkt op het oorspronkelijke monument.