Roemeense recepten      Gerechten uit de keuken van Roemenië

 

Mucenici
Martelaren

Op 9 maart wordt in de Orthodoxe kerk het feest van de 40 Martelaren van Sebaste gevierd. Die Veertig Martelaren waren Romeinse soldaten van het Legio XII Fulminata die in het jaar 320 stierven voor hun geloof. Ze werden door de Romeinse keizer veroordeeld om op een bitter koude vriesnacht naakt op een bevroren meer te gaan zitten. Een van hen zakte de moed in de schoenen en sprong in het hete bad dat naast het meer was klaargezet voor eventuele spijtoptanten. Dat had hij beter niet kunnen doen, want toen hij in het hete water sprong stierf hij, wellicht aan een hartstilstand, maar het had evenzogoed de wraak des Heren kunnen zijn. Op datzelfde moment zag een van de bewakers een bovennatuurlijk licht over de achtergebleven 39 schijnen. Dat kon natuurlijk geen toeval meer zijn. De man verklaarde zich prompt Christen, trok zijn kleren uit en voegde zich bij de ongelukkigen op het ijs, zodat hun aantal weer op veertig kwam. Bij dageraad werden de stijf bevroren lichamen van de martelaren verbrand, waarna hun as in de nabijgelegen rivier werd gegooid. Volgens een van de verhalen zouden meteen daarop bloemen aan de oppervlakte zijn komen drijven.

Weliswaar werd in 1969 de cultus van de Martelaren van Sebaste van de Katholieke kalender geschrapt, maar de Orthodoxe kerk blijft het feest in ere houden. Zo ook in Roemenië en Moldavië, waar op deze dag een nagerechtje wordt geserveerd met de naam “mucenici” ofwel “martelaren”. Het zijn -als het volgens de regelen der kunst gaat- welgeteld 40 broodjes in de vorm van een acht die zijn gedrenkt in een zoete siroop. Die “8” zou volgens sommige lezingen de gestyleerde menselijke figuur van de martelaren verbeelden. Kromgetrokken van de kou, ongetwijfeld.

Een vergelijkbaar gerechtje, maar met een iets andere traditie, zijn de Servische mladenčići.

Voor het deeg hebben we nodig:
1 kg. bloem
40 gr. gist
6 dl. lauw water
de geraspte schil van 1 citroen
70 gr. fijne suiker
130 ml. olie
een snufje zout

en voor de siroop:
7½ dl. water
150 gr. fijne suiker
3 el. honing

en dan ook nog:
4 el. honing
gemalen walnoten

Zeef de bloem boven een grote schaal. Maak een kuil in het midden. Daar doe je de gist in, samen met een snufje zout, 1 tl. suiker en de citroenschil. Giet het lauwe water erbij en meng er steeds van de randen af wat bloem doorheen. Zo kneed je het langzaam tot een deeg. Meng er van tijd tot tijd een straaltje van de olie door, tot alles op is. Dek het deeg af en laat het op een warme, tochtvrije plaats ongeveer 1½ uur rijzen.

Verwarm de oven voor op 180ºC.

Leg de deegbal op een met bloem bestoven werkblad. Verdeel de bal in 4 stukken. Die verdeel je elk weer in tien even grote delen. Elk stuk deeg rol je uit tot een broodje van zo’n 15 cm. lang. Scheur ze in de lengterichting doormidden en leg ze dan over elkaar in de vorm van een “8”.

Leg de broodjes op een met bakpapier beklede bakplaat, schuif ze in de oven en bak ze in een half uurtje goudbruin.

Ondertussen maak je de siroop: verwarm 7½ dl. water in een steelpannetje en los daarin de suiker en 3 el. honing op. Laat het een klein beetje afkoelen. Als de mucenici gaar zijn giet je er de siroop overheen. Bestrijk ze ten overvloede met de 4 el. honing, bestrooi ze royaal met de gehakte walnoten en laat ze nog heel even afkoelen voordat je ze op tafel zet.

 


download dit recept

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *