Tagarchief: nagerechten

Tsjechische recepten      Gerechten uit de keuken van Tsjechië

 

Povidlové taštičky
Pruimentasjes

Deze tasjes of halve maantjes van een deeg van aardappelen, bloem en eieren worden gevuld met povidel. Dat is een dikke confituur van pruimen, gemaakt op dezelfde manier zoals onze appelstroop: het fruit wordt eindeloos lang ingekookt tot er tenslotte een stevige, zoete en bijna zwarte brij overblijft. Neem dus een stevige, dikke jam voor dit recept.

Povidlové taštičky

Voor 4 tot 6 porties van deze Tsjechische Povidlové taštičky hebben we nodig:
1 kg. aardappelen
300 gr. bloem
3 eieren
aardappelzetmeel
zout
300 gr. dikke pruimenjam (zie hierboven)

250 gr. paneermeel
250 gr. boter
200 gr. poedersuiker

Kook de aardappelen gaar, pel ze en werk ze door een aardappelpers. Bestrooi ze lichtjes met wat aardappelzetmeel en een snuf zout. Strooi er de bloem over, breek er de eieren boven en kneed er een deeg van.

Strooi wat bloem op een werkvlak en rol er het deeg op uit tot een lap van ½ cm. dik. Steek er met een omgekeerd glas rondjes uit.

Op het midden van ieder rondje leg je een lepeltje pruimenjam. Vouw de rondjes dicht en druk de randen goed aan, evt. met een vork.

Kook de taštičky in een grote pan met water gaar, ongeveer 5 – 6 minuten. Ga in het begin even over de bodem met een houten lepel om te voorkomen dat ze aan de pan blijven plakken.

Ondertussen laat je in een grote koekenpan de boter smelten. Meng er het paneermeel door en bak het op een laag vuurtje onder voortdurend omscheppen lichtjes goudbruin. Haal de gekookte taštičky uit het water, laat ze even goed uitlekken en leg ze dan in het paneermeel. Schep ze voorzichtig om zodat ze aan alle kanten bedekt zijn. Leg de povidlové taštičky op bordjes en bestrooi ze met poedersuiker.

 

Povidlové taštičky
download dit recept

Slowaakse recepten      Gerechten uit de keuken van Slowakije

 

Palačinky s jahodami
Flensjes met aardbeien

Palačinky, die dunne, luchtige pannenkoekjes, zijn natuurlijk altijd een feest. Voor de vulling kun je alles gebruiken wat los en vast zit: fruit, honing, jam, chocolade en noten, maar ook hartige ingrediënten zoals kaas, gehakt en/of groenten.
Dit is een klassiek receptje voor palačinky met een vulling van aardbeien en kwark.

Voor deze overheerlijke palačinky met aardbeien hebben we nodig:
palačinky - pannenkoekjes 2½ dl. melk
palačinky - pannenkoekjes 2 eieren
palačinky - pannenkoekjes 160 – 200 gr. bloem
palačinky - pannenkoekjes een snufje zout
palačinky - pannenkoekjes een snufje suiker

en voor de vulling:
palačinky - pannenkoekjes 250 gr. kwark
palačinky - pannenkoekjes 2 zakjes vanillesuiker
palačinky - pannenkoekjes 100 gr. aardbeienjam
palačinky - pannenkoekjes 50 gr. poedersuiker
palačinky - pannenkoekjes 200 gr. verse aardbeien
palačinky - pannenkoekjes wat muntblaadjes

Klop de eieren los met een snufje zout en een snufje suiker. Meng het al kloppend met de melk en vervolgens met de bloem, van dat laatste net zoveel tot je een smeuïg, niet al te dik en vooral glad beslag hebt. Laat het een kwartiertje rusten.
Vet een kleine koekenpan in met een klein beetje boter, schep er een dun laagje van het beslag in en bak het pannenkoekje aan beide zijden mooi goudbruin. Doe zo met de rest van het beslag.

Voor de vulling meng je de kwark met de vanillesuiker en de jam. Smeer het over de flensjes en rol ze op. Bestrooi ze met poedersuiker en serveer ze met verse aardbeien en een blaadje munt.

 


download dit recept

Tsjechische recepten      Gerechten uit de keuken van Tsjechië

 

Žemlovka
Appel-broodpudding

Žemlovka (in Moravië ook wel “zemlbába”) is een gerecht van in zoete melk geweekt brood met appels, dat in de oven wordt gebakken. De appels worden soms ook wel vervangen door peren. Als je het wil eten als lunch, zoals de Tsjechen vaak doen, maak het dan niet al te zoet, zoals in het recept hieronder.
De snoepkonten onder u, die hiermee geen genoegen wensen te nemen, kan ik dit zeggen: met een paar royale lepels suiker door de kwark en een gulle hand poedersuiker voor het opdienen wordt dit een taartje om over na te praten.

5 appels
1 (wit) oud stokbrood
½ l. melk
3 zakjes vanillesuiker (mag ook best wat meer, naar smaak)
250 gr. kwark
2 eieren
2 el. basterdsuiker
kaneel
rozijnen, in rum of thee geweekt
evt. gehakte walnoten
paneermeel
boter

Verwarm de oven op 180ºC.

Vet een ovenschaal in met boter en bestrooi het licht met paneermeel.

Verwarm de melk een beetje in een pannetje en los er 1 zakje vanillesuiker in op. Snij het stokbrood in plakken en week het in de lauwe, gezoete melk.

Was, schil en rasp de appels. Gebruik een grove rasp. Scheid de eiwitten van de dooiers. De eiwitten zet je even apart. Klop de eierdooiers los in de kwark.

Bekleed de bodem van de ovenschaal met een laagje geweekt brood. Leg daar een laagje geraspte appel op en schep er een laag kwark overheen. Daarop strooi je wat geweekte rozijnen, vanillesuiker en kaneel. Als je er walnoten in wil strooi je die er nu ook over. Daaroverheen gaat weer een laag geweekt brood, en dan weer appel, en zo verder tot alles op is. Eindig in ieder geval met een laagje brood. Giet over die laatste broodlaag wat er nog aan lauwe melk over is.

Nu gaat de taart een matig warme oven in: 20 tot 30 minuten, afhankelijk van de afmetingen van je ovenschaal.

Klop tegen het eind van dat halve uur de eiwitten stijf met de basterdsuiker. Dat schep je over de taart. Zet hem terug in de oven en bak verder tot de sneeuw goud kleurt.

 


download dit recept

Tsjechische recepten      Gerechten uit de keuken van Tsjechië

 

Šišky s mákem
Aardappelknoedels met maanzaad

Niet alleen als bijgerecht bij de goulash of het varkensvlees, maar ook als nagerecht zijn ze heerlijk. Šišky, of, zoals we ze in het Duits zouden noemen: Schupfnudeln. Lekker zoet met maanzaad, poedersuiker en een flinke klont roomboter.
De naam, šišky, te vertalen als pijnbomen, kreeg dit deeggerechtje vanwege de typische conische vorm, die wel wat wegheeft van die van de boompjes. De vorm krijg je door een balletje deeg tussen je handpalmen uit te rollen.

750 gr. bloemige aardappelen
125 gr. bloem + wat extra voor het bestuiven
zout
2 eieren
gemalen maanzaad
suiker
boter

Kook de aardappelen gaar in de schil, laat ze afkoelen, pel ze en rasp ze of werk ze door een aardappelpers.

Doe daar de bloem, een snuf zout en de twee eieren bij en kneed er een deeg van.

Bestuif een werkblad met wat bloem. Splits het deeg op in delen en vorm er lange rollen van, zo’n 4 cm. dik. Snij die in stukjes van één centimeter. Die stukjes rol je tussen je (met behulp van een klein beetje bloem) handpalmen uit tot langwerpige staafjes, ongeveer ter grootte van een pink.

Breng een pan met gezouten water lichtjes aan de kook. Laat de knoedeltjes erin glijden. Als ze boven komen drijven zijn ze goed. Dat zal zo’n twee minuutjes duren. Haal ze er uit, spoel ze af onder koud water en laat ze goed uitlekken.

Smelt een schandelijk royale klont boter in de pan. Daar gaan de knoedeltjes bij. Bak ze al omscheppend een paar minuutjes heel rustig door. Ze mogen heel, heel lichtjes goudbruin worden, maar beslist niet tè, want dan worden ze hard en dan lusten we ze niet meer als dessert. Schep ze op borden, strooi er royaal gemalen maanzaad overheen en net zoveel suiker als je lekker vind.

 


download dit recept

Hongaarse recepten      Gerechten uit de keuken van Hongarije

 

Hideg meggyleves
Soep van zure kersen

“Hideg”(koud)”meggy”(zuur)”leves”(soep) is een koude soep, niet van zoete maar van zure kersen, de “Prunus cerasus”. In Nederland kennen we ze als meikersen of morellen.
Net als de al even populaire andere vruchtensoepen als appelsoep of aardbeiensoep, wordt het zowel als voorgerecht of als dessert gegeten, tijdens de lunch op een van die landerige, warme zomermiddagen vol slaperig zoemende hommels en bijen, of ‘s avonds, bij het licht van een olielamp en het getsjirp van de krekels.
De soep wordt gemaakt van hele kersen en de pitten moeten er eigenlijk in blijven, want dat geeft extra veel smaak, zo wordt bij hoog en laag beweerd. Room gaat er ook in, en wat kruiden als kruidnagel of kaneel, en rode wijn natuurlijk. Zonder rode wijn geen meggyleves.

Hongaarse soep van zure kersen

zure kersensoep 1 kg. zure kersen
zure kersensoep 1 citroen
zure kersensoep 3½ el. kristalsuiker
zure kersensoep 2 zakjes vanillesuiker
zure kersensoep 2 dl. zure room
zure kersensoep 2 el. bloem
zure kersensoep 1½ l. water
zure kersensoep 2 dl. rode wijn
zure kersensoep 2 kruidnagels
zure kersensoep 1 kaneelstokjes
zure kersensoep evt. een paar pimentkorrels
zure kersensoep een snufje zout

Deze Hongaarse kersensoep maak je zo:
Was de kersen. Als je echt een hekel hebt om je hele familie te zien pitten spugen tijdens het eten dan mag je ze wat mij betreft eruit halen. Boen de citroen goed schoon en snij een ferme reep van de schil af. Schraap van de achterkant wel al het witte spul af, want dat willen we niet in onze soep. Pers de citroen uit.

Doe de kersen, de citroenschil en het citroensap samen met het water in een pan en breng het aan de kook. Doe de specerijen erbij, de kristalsuiker en een snufje zout. Laat het 5 minuten koken. Doe er dan de vanillesuiker bij.

Meng in een niet te kleine kom de bloem met de zure room. Goed roeren, want we willen absoluut geen geklonter in onze kersensoep. Jakkes! Meng nu een paar lepels van de hete soep met het room-bloemmengsel. Blijf goed roeren, want– ja, precies. Roer nu het spul door de kokende kersensoep. Giet er een glas rode wijn bij en laat het al roerend nog een minuutje koken, tot de bloem gaar is.

Nu komt het ergste: het wachten. De kersensoep moet helemaal afkoelen. En daarna dan ook nog even in de koelkast. Dan mogen we hem pas eten. Eerder niet.

IJskoude Hongaarse kersensoep. Kom maar op met die zomer.

 


download dit recept

Hongaarse recepten      Gerechten uit de keuken van Hongarije

 

Eperleves
Aardbeiensoep

In Hongarije zijn koude vruchtensoepen niet weg te denken uit het zomerse menu, zoals appelsoep, kersensoep of deze aardbeiensoep. Heerlijk als lichte zomerse lunch of als verfrissend voorgerechtje, maar ook als dessert is deze koude vruchtensoep altijd een succes.

Aardbeiensoep

Voor deze Hongaarse aardbeiensoep heb je nodig:

Aardbeiensoep 500 gr. aardbeien
Aardbeiensoep 5 dl. melk
Aardbeiensoep 2 dl. crème fraîche
Aardbeiensoep suiker naar smaak

Het recept voor deze aardbeiensoep is kinderlijk eenvoudig.

Aardbeiensoep Haal de steeltjes van de aardbeien, was ze onder koud water en dep ze goed droog. De helft van de aardbeien pureer je in een keukenmachine. De andere helft snij je in plakjes.
Aardbeiensoep Meng de gepureerde aardbeien met de melk en meng er dan zoveel van de crème fraîche onder tot je aardbeiensoep een gewenste dikte heeft. Doe er suiker naar smaak bij, roer er de plakjes aardbeien door en zet het in de koelkast om ijs- en ijskoud te worden.
Aardbeiensoep Serveer deze Hongaarse aardbeiensoep met een mooie dot room erop.

 


download dit recept

Servische recepten      Gerechten uit de keuken van Servië

 

Koljivo

Koljivo, ook žito genoemd, een zoete brij van graan, noten en rozijnen, is een ritueel gerecht, beladen met de symboliek van leven, dood, oogst en wedergeboorte. Het eten van koljivo (letterlijk: tarwe), is een van de weinige rituele gebruiken uit de voorchristelijke tijd die ons ononderbroken tot op de dag van vandaag zijn overgeleverd. Het komt op tafel bij speciale gelegenheden zoals Slava*, Pasen en Kerstmis, en op begrafenissen en andere momenten wanneer er sprake is van de dood of vernieuwing van het leven.

*Verjaardagen worden door de orthodoxe christenen eigenlijk niet gevierd. Zij vieren hun naamdag, dat is de feestdag van de heilige naar wie ze vernoemd zijn. De Serviërs gaan nog een stapje verder. Zij vieren Slava: de feestdag van de speciale patroonheilige van de hele familie. Het feest heeft haar oorsprong in de voorouderverering uit de dagen van vóór het christendom.

Een rituele brij van granen werd al in de oudheid gegeten, zowel bij de dodencultus als bij oogstfeesten. Die schijnbare dubbelzinnigheid is niet zo vergezocht als op het eerste gezicht lijkt. De doden en de oogst hebben beide te maken met de aarde. Het zaad wordt, net als de doden, begraven in de grond om het volgend voorjaar te ontkiemen; herboren te worden. In het oude Griekenland werden de doden demetreioi genoemd, het volk van Demeter, de korenmoeder. Demeter was, naast de godin van het graan en de landbouw ook de godin van de Eleusische mysteriën. Dat was een cultus die 2000 jaar heeft bestaan, tot de komst van het christendom, waarvan de ingewijden strikte geheimhouding in acht moesten nemen en dat -wonderlijk genoeg- ook al die eeuwen zonder uitzondering hebben gedaan. Het weinige dat we wèl weten wijst naar het zich laat aanzien op een belofte van een leven na de dood. Pindarus bijvoorbeeld schreef: “Gelukkig hij die, deze riten gezien hebbende, onder de holle aarde gaat, want hij kent het einde van het leven en hij kent het van God gezonden begin.” Of in de niet minder extatische woorden van Sophocles: “Driewerf gelukkig zijn die onder de stervelingen, die deze riten gezien hebbende vertrekken naar Hades, want aan hen alleen is het gegeven om daar waarachtig te leven; voor de rest is alles daar boosheid”. Ook los van de cultus van Demeter ligt een verband tussen de doden, het zaaigoed en de aarde voor de hand. Hippocrates zei dat “het graan van de doden komt”, waarmee hij bedoelde dat het zaad ontkiemt in de grond. Een open deur voor iedere volkstuinder, maar vooruit. Op ongeveer dezelfde manier zei de Griekse kerkvader Johannes Chrysostomos het: “De boer jammert niet als de graankorrel sterft (…) hij verheugt zich. Verbaas je dus niet wanneer de Apostel het begraven als zaaien bestempelt.”

In de oudheid werden de doden niet beschouwd als de zielige, hulpeloze wezens die ze na de kerstening werden, en al helemaal niet de levenloze stoffelijke materie die de moderne tijd in ze wil zien. De doden leefden in een wereld parallel aan de onze. Sterven was niet een einde, maar een overgang, en op bepaalde dagen van het jaar, vooral in de koude, dorre wintermaanden, was de grens tussen die twee werelden niet altijd even goed gesloten. Vandaar de noodzaak om de doden te eren en te verzorgen met spijs, drank en feesten. Je zorgde voor je familie, ook die in de andere wereld. Zo niet, dan riep je het onheil over je af. Toen het christendom de oude godsdiensten verdrong werden de doden tot armzalige zieltjes gereduceerd, wachtend op verlossing in een onbereikbaar hiernamaals, en werden de feesten omgebogen tot christelijke feesten zoals Pasen, Carnaval, Allerzielen en Kerstmis.

Anders dan in de westerse kerk, waar men het vagevuur had uitgevonden om de doden, die machteloze zielen, tot hun definitieve gang naar de hemel een plaats te geven en te verzorgen d.m.v. gebed en aflaten, had de Orthodoxe kerk, die geen vagevuur erkent, meer geduld met de oude gebruiken. Overblijfselen van die gebruiken zijn zowel in Griekenland als in de Slavische landen dan ook nog steeds te vinden. Het meest in het oog springend is misschien wel het eten van koljivo.

Koljivo

De brij voor de doden, koljivo, kutya in het Russisch, kollyva in het Grieks, colivă in het Roemeens, is een steeds terugkerend element in zowel de doden- als de oogstcultus, met een onmiskenbare rituele betekenis. De brij wordt gegeten op momenten wanneer er sprake is van de dood, de overledenen of vernieuwing van het leven. Het komt er meestal op neer dat men de spijzen naar de kerk brengt om er te worden gezegend. Daarna gaat het naar het kerkhof, waar gegeten en gedronken wordt, als het ware samen met de doden. Door het rituele eten van het zaaigoed, het graan, wordt de solidariteit tussen levenden en doden gesymboliseerd. Als je in kerkelijke termen zou spreken, zou je kunnen zeggen dat er een soort communie plaats vindt tussen levenden en doden.

Deze gebruiken geven ons, moderne mens, een kijkje in de voorchristelijke rituelen zoals die eens ook in onze streken werden beleefd. Het is niet veel: een vluchtige blik door een sleutelgat vol spinrag, maar de hardnekkigheid waarmee het gebruik van het eten van koljivo zich heeft gehandhaafd toont wel aan wat een enorme waarde werd gehecht aan het respect en de zorg voor de overledenen. Wij, die onze doden als afval zijn gaan beschouwen, hoogstens goed om er nog wat bruikbare organen uit te halen maar verder voer voor de crematoria, kunnen ons hier misschien eens, tijdens het eten van een schaaltje koljivo, op bezinnen?

koljivo

500 gr. tarwekorrels
500 gr. gehakte walnoten
1 kg. suiker, maar naar smaak: waarschijnlijk heb je niet alles nodig
een snuf nootmuskaat
rozijnen, naar wens
voor de garnering: noten (walnoten, amandelen, pecannoten, etc,) en slagroom

Begin een dag van tevoren, want de tarwe moet een nacht lang fermenteren.

Was de tarwekorrels goed, met veel water. Wat boven komt drijven mag weg. Breng ze dan in ruim water aan de kook en laat zo’n 45 minuten koken.

Wikkel de pan dan met alles erin in een deken en laat een hele nacht op een warme plaats rusten.

Dit klinkt een beetje raar, maar echt: het is nodig om de tarwe zacht te maken. Als je me niet gelooft, proef dan maar eens wat van de tarwe die je zojuist gekookt hebt. Het lijkt of je op een potloodgummetje zit te kauwen. Zo. Dan weet je meteen waarom tarwe altijd vermalen wordt tot meel of couscous, en nooit, net als rijst, gekookt wordt gegeten.

De volgende dag gooi je het water weg dat niet door de tarwe is opgenomen. Laat de korrels een beetje drogen (spreid ze uit op een keukendoek of een werkblad).

Dan de korrels grondig malen in een keukenmachine. Haal ze uit de bak en maal nu de noten. Als die fijn zijn gaat de tarwe er weer bij, en de helft van de suiker. Malen en proeven, en malen en proeven en steeds weer wat suiker erbij, tot het zoet genoeg is naar je smaak.

Als je er rozijnen door wil, heb je ze natuurlijk alvast even laten weken in water, of, wat misschien nog lekkerder is: in rum. Die schep je er nu doorheen.

Lepel het spul op een serveerschaal, en versier het met de noten. Voor de grote gelegenheden doen ze dat in Servië in de vorm van een kruis, maar voel je vooral niet verplicht: laat je fantasie gewoon de vrije loop.

Opdienen in kleine schaaltjes met een flinke dot slagroom erop.

 


download dit recept

Servische recepten      Gerechten uit de keuken van Servië

 

Mladenčići
Honingkoekjes

Tijdens de huwelijksceremonie van de Orthodoxe kerk wordt een gebed uitgesproken waarin de Veertig Martelaren van Sebaste worden genoemd, de “kroning”, om bruid en bruidegom eraan te herinneren dat ook voor hun een spirituele kroon is weggelegd als ze net zo trouw aan Christus blijven als deze heiligen van zo lang geleden.

De Veertig Martelaren van Sebaste waren 40 Romeinse soldaten van het Legio XII Fulminata die in het jaar 320 stierven voor hun geloof. Volgens de overlevering zouden ze slachtoffer zijn geworden van de vervolgingen van keizer Licinius I (308-324). “Zouden”, want deze Licinius is dezelfde Licinius die samen met zijn medekeizer Constantijn (de Grote) -toevallig allebei geboren in de streek die nu Servië heet- al in februari 313 het “Edict van Milaan” uitvaardigde, waarin vrijheid van godsdienst werd afgekondigd, ook voor de Christenen. Maar misschien hebben de hagiografen de data een beetje door elkaar gehaald en is het allemaal iets vroeger gebeurd, b.v. tijdens de vervolgingen van keizer Diocletianus, die in Servische volksverhalen wordt opgevoerd als Dukljan, de tegenstander van God, a.k.a. de duivel.

Volgens ene Basilius, die van 370-379 bisschop van Caesarea was en de eerste was die erover schreef, werden veertig soldaten die openlijk hun Christelijk geloof beleden veroordeeld om op een bitter koude nacht naakt op een bevroren meer vlakbij de stad Sebaste (in het huidige Turkije) te gaan zitten, zodat ze zouden bevriezen. Een van hen zakte de moed in de schoenen en sprong in een van de hete baden die naast het meer waren klaargezet voor de spijtoptanten. Op dat moment zag een van de bewakers een vreemd en bovennatuurlijk licht over de achtergebleven 39 schijnen. Hij verklaarde zich prompt Christen, trok zijn kleren uit en voegde zich bij hen, zodat hun aantal weer op veertig kwam. Bij dageraad werden de stijf bevroren lichamen van de martelaren op de brandstapel gegooid, waarna hun as in de rivier werd gegooid. Christenen verzamelden echter zo goed en zo kwaad als het ging de kostbare relieken, die werden verdeeld over vele steden. Op deze manier werd de verering van de 40 martelaren wijd verspreid, en een groot aantal kerken werd gebouwd te hunner ere.

Honingkoekjes

Maar nu terug naar de koekjes.

In het eerste jaar van het huwelijk waarmee ons verhaal begon, op 9 maart volgens de Orthodoxe kalender (dat is 22 maart volgens de westerse -Gregoriaanse- kalender) wordt in Servië het feest van de Martelaren van Sebaste gevierd, en krijgen de jonggehuwden cadeautjes van familie en vrienden. Van de bruid wordt verwacht dat ze voor haar gasten 40 mladenčići bakt: kleine ronde taartjes bedekt met honing.

Of die honing de zoetheid van het martelaarschap uitdrukt of de zoetheid van het huwelijk weet ik niet, maar bij deze koekjes moet ik altijd denken aan een oude tante die vaak bij mijn oma over de vloer kwam en dan, wanneer het gesprek over jonge mensen en het huwelijk ging, steevast schamperde: “Ja, ja, ze denken dat het honing is, maar het is nog geen siroop”.

Voor 40 van deze Servische honingkoekjes hebben we nodig:

500 gr. bloem
25 gr. verse gist
1 el. suiker
2½ – 3 dl. lauw water
2 el. honing
2 el. olie
½ tl. zout
honing (om over de koekjes te lepelen)
evt. gehakte walnoten of amandelen

Meng de gist, 1 dl. lauw water en de suiker in een kom en dek het af met een doek.

Doe de bloem in een kom. Maak een kuiltje in het midden en doe daarin twee el. honing en halve theelepel zout, en daarna 2 el. olie. Giet nu het gistmengsel eroverheen en roer het met een lepel of spatel door de bloem. Blijf roeren en voeg steeds van het lauwe water toe. Als het deeg te dik wordt om te roeren ga je verder met je handen. Kneed tot je een zacht, maar wel stevig deeg hebt, dat je tot een bal kunt vormen die niet tussen je vingers door glijdt als je hem in je hand houdt

Leg de deegbal terug in de kom en dek het af met een doek. Laat het een half uur liggen. Het deeg zal wat rijzen.

Rol het deeg op een met wat bloem bestoven werkvlak uit tot een vingerdikke lap. Steek er met behulp van een vorm of een glas rondjes uit. Leg die op een met bakpapier bedekte bakplaat. Officieel moeten we er uiteindelijk veertig hebben, maar dat hangt een beetje van de grootte en de dikte van je koekjes af. We kijken niet zo nauw.

Steek met een niet te scherp voorwerp een paar gaatjes in ieder koekje. Niet helemaal doorsteken; halfweg is genoeg. Dek het nu af met een doek en laat het opnieuw een half uurtje rijzen.

Verwarm de oven voor op 250ºC.

Bestrijk de koekjes met behulp van een kwastje lichtjes met wat olie. Zet ze onder in de oven en verlaag de temperatuur meteen naar 200ºC. Bak de koekjes tot ze goudbruin zijn. Dat duurt ongeveer 20 minuten.

Doe ze in een schaal en laat ze even afkoelen onder een doek (dan zakken ze niet in elkaar) en serveer ze als ze nog warm zijn: dat is het lekkerst. Giet net voor het opdienen een lepel honing over ieder koekje. Niet te vroeg, want de koekjes zuigen de honing snel op en dan worden ze een beetje klef. Eventueel kun je ze ook nog bestrooien met gehakte walnoten of amandelen.

 

Honingkoekjes
download dit recept